In 1977 begon ik met duiven door een opvanger. Ik was amper 10 jaar oud toen ik mijn eerste kistje in elkaar knutselde met daarin de opvanger die volledig onder de olie zat. Het jaar erop was het een prachtduif geworden en al snel daarna bouwde mijn vader mijn eerste hokje met twee afdelingen.

Ik bekostigde alles van mijn zakgeld en zo werden er bij een werkpartner van mijn vader twee duiven gehaald; een blauwe (die was homo) en een bonte. Bij een oom van mijn moeder nog een rode en een grijze en bij een kroegbaas een kreupele. De olieman was inmiddels met zijn nieuwe pak aan weer weggevlogen.

Met deze vijf duiven moest het dus gebeuren als één van de drie jeugdleden in het toen dik 350 duivenmelkers tellende duivenbolwerk St. Willebrord. Jeugdkampioen kon ik niet worden, want één jeugdlid had een fanatieke vader die op naam van zijn zoon speelde. Zoonlief mocht niet op het hok, maar wel op de diverse podia in de winter.

Mijn duiven kregen destijds voer van de Witte Molen wat per kilo werd gekocht bij De Mulder aan de overkant. Dit zeefde ik met een voegzeef uit; het fijnere voer kregen ze in het begin van de week. In die tijd ging Aviol in de drinkpot, die jodiumvariant waarbij je handen en drinkpotten niet zuiver te krijgen waren.

Mijn vader was destijds het huis van dierenarts Jan Konings aan het bouwen in Achtmaal, dus die nam mijn duiven mee voor onderzoek. Hij kwam terug met gevouwen papiertjes met poeder ertussen, want de duiven hadden tricho en coccidiose. Na de kuur werd ik de eerstvolgende vlucht 3e met de rode duif en 1e met de blauwe homo.

De kreupele was mee op Moulins. Die Moulins was een zware, zoals alle dagfondvluchten destijds. Tegenwoordig gaat het om secondes, maar in die jaren viel er om het uur een duif. De kreupele viel en bleef meer dan een uur uitgeput op het dak zitten. Toen ze eenmaal binnenliep, won ze alsnog de 5e.

De bonte daarentegen won niet één prijs, maar was in de winter wel de mooiste jaarling doffer op de tentoonstelling met een hoge score als vliegindruk. Hij heeft ook daarna niet één prijs gewonnen op de vluchten, dus hij was mooi maar ook dom.

Nu dik 40 jaar later loop ik nog steeds naar het duivenhok en zijn er heel wat superduiven gepasseerd. Ik denk dat 85% van de liefhebbers uit die tijd inmiddels is overleden, alsmede de werkmakker van mijn vader, mijn vader zelf en de dierenarts.

Ondanks dat wordt de duivensport nog steeds bedreven en zijn er ook nu haast geen jeugdleden. Wel is alles professioneler geworden en wordt het verschil tussen de doorsnee liefhebber en de ‚Äėprofessional‚Äô steeds groter. Dat de duivensport alleen onder de aandacht komt door mega verkopen of dure duiven is natuurlijk geen goede zaak, maar aan de andere kant is er nu wel opeens wereldwijde aandacht.

Inmiddels denken alle buitenstaanders dat iedere duivenmelker een potenti√ęle miljonair is, maar de duivenmelker zelf weet hoe duur de sport is en dat 99% er niets meer mee verdient dan wat sociale contacten en een plezierig tijdverdrijf.¬†Elk weekend hebben we weer goede hoop en een gezonde spanning tijdens de wedvluchten, maken je favorieten het waar ja of nee. Zo niet, dan heb je de week erop het vertrouwen op een goede afloop weer terug.

In de kweekperiode probeert iedereen weer de juiste koppelingen te maken in de hoop een kampioen te kweken die de buurman of clubgenoot in het vliegseizoen de loef afsteekt. Eind volgende week begint het kweekseizoen hier weer. In mijn hoofd zijn de koppelingen al gemaakt, nu maar kijken of het uit gaat pakken.

Een succesvolle kweek begint bij jezelf. Overal kan je wel iets lezen over hoe tophokken hun duiven voorbereiden richting het kweekseizoen. Ondanks dat bakt 75% van de duivenmelkers er niets van. Zij slingeren de duiven maar bij elkaar wanneer ze daar zin in hebben.

Het gevolg: duiven die laat of niet op eitjes komen, kapot gevochten nesten, gedemotiveerde duiven op de grond die uit hun bak zijn gejaagd, veel onbevruchte eieren, jongen die slecht opkomen, enzovoorts.

Sommige leren het nooit, terwijl het niet moeilijk hoeft te zijn. Het is een kwestie van voorbereiding en die start na de laatste vlucht. Hier hebben alle duiven een paratyfuskuur- en enting achter de rug, alsmede een paramyxo-enting, geeltablet en luisdruppel.

De bakken staan al een week open en ik ben ze nu vijf dagen aan het bijlichten om alles op gang te brengen. Mijn duiven eten 12 maanden per jaar 80% Championsmix en 20% NPO-mix, daar zijn ze op ingespeeld. Ze vreten zich daar niet vet aan waardoor ze het gehele jaar in conditie zijn.

Als je ze nu aan een rui- of lichte mengeling hebt zitten en dan overstapt op kweekvoer, dan hebben de ingewanden en darmflora van je duiven daar moeite mee. De meeste duiven zullen zich dan overeten aan de andere granen die ze opeens krijgen voorgeschoteld of de vaak erg aanwezige erwten. Het gevolg: binnen no time zijn ze blauw van vlees.

De aanwezige vetten in onze mengelingen laten de duiven glanzen en daarbij zijn ze zijdezacht van pluim. Wie inmiddels om is en 12 maanden per jaar onze mengelingen verstrekt, weet waar ik over praat.

En dan nog dit: duiven waaruit je kweekt moeten kweekwaardig zijn. Hier is vaak één van de twee partners een topper op de vluchten geweest en de andere een zomerjong uit de beste kwekers.

Zomerjongen die hier naar de kweek gaan zijn vaak aangeschaft uit het allerbeste of ik pak er één of twee uit een gekweekte ronde zomerjongen. Ik zal nooit een zomerjong meenemen dat me niet aanstaat. Vaak weet ik al waar dat jong tegen gekoppeld wordt als ik het ergens meeneem.

Duiven die niet presteren op de vluchten én geen superieure afstamming hebben, doen dat vaak op het kweekhok ook niet. Heb je maar één echt goede duif zitten, zoek daar dan een passende partner bij en verleg ze maar meerdere keren.

Het belangrijkste is dat je uit een goede duif kweekt in plaats van een voddenbaal. Een jonge duivenhok vol prullen brengt namelijk meer ergernis dan plezier. Ik heb zelf altijd deze instelling gehad: als ik toch iets moet doen, dan maar gelijk goed.

Afgelopen weekend heb ik alles op zijn plaats gezet, de duiven een bad gegeven en ze nog eens bekeken. De kweekduiven zijn weer supermooi. De overnachtduiven ook, maar die waren niet verduisterd.

De vliegduiven mogen binnenkort weer naar buiten. Ze zijn mooi op gewicht, niet te vet en zeker niet mager. Er zitten hier nog 30 vliegkoppels, twee teveel dus, maar er zal vast nog wel iets gebeuren als ze weer buiten vliegen.

Ik heb voor mezelf een overzicht gemaakt van deze 30 doffers en duivinnen met daarop hun beste prestaties. De ene zit bij de Asduiven, de andere won op teletekst en sommige wonnen een 1e en meerdere malen top 100 provinciaal.

Je moet eigenlijk achter iedere vliegduif iets kunnen zetten, anders zijn ze het doorhouden niet waard. Mooie stambomen hebben ze hier allemaal, maar alleen daarmee kom je er niet. Ze moeten ook presteren.

Over vijf maanden gaan we normaal gesproken de strijd weer aan en die begint zoals altijd in eigen vereniging. Word je daar niet 1e, dan gebeurt dat op andere plekken ook niet. Ik speel in een sterke vereniging met enkele goed presterende hokken en dat is alleen maar goed. Concurrentie moet je nooit ontlopen, hoe sterker hoe beter.

Al met al gaat het erom dat je plezier haalt uit je duiven en dat je kan genieten van de aankomsten en van deze mooie hobby. Vooral in deze tijden waarin we verplicht aan huis zijn gekluisterd.

Dat Belgi√ę hoog staat aangeschreven in het buitenland is te zien op PIPA bij de biedingen vandaag. Aanvankelijk kwam dat door de Belgen zelf. Toen ik daar 30 jaar geleden voor het eerst op hokbezoek ging, werd me meermaals toegesproken dat we in Nederland met soepkippen speelden en dat alles maar de mand in moest omdat het nergens om ging.

Inmiddels zijn daar meer massa inkorvers dan hier en weten ze stiekem dat dit idee achterhaald is door Hollandse duiven die daar al diverse nationale vluchten hebben weggekaapt. Mannen als Hooymans, Reijnen-Bolton en De Weerd om er enkele te noemen, hebben de concurrentie opgezocht en inmiddels al nationale overwinningen op zak. En ik kan je verzekeren dat het daar niet bij blijft.

Dat deze mannen in Nederland ook goede duiven hebben kan niemand ontkennen, maar er zijn hokken die boven deze mannen uitstijgen en voor nog meer spektakel zouden kunnen zorgen in Belgi√ę. De nazaten van duiven van Willem de Bruijn bijvoorbeeld hebben daar al een massa nationale vluchten gewonnen.

Dat PIPA veilingsite nummer #1 is in de wereld, is duidelijk gebleken. Mooi zou het zijn als zij de Nederlandse duiven ook wat meer in de schijnwerpers zouden zetten. Iemand die ik qua wijsheid hoog heb staan zei het deze week passend; in Belgi√ę zijn de duivenprijzen maal 10, maar qua kwaliteit weet ik zeker dat we gelijk staan.

Het enige nadeel van Nederland heb ik in mijn laatste blog beschreven, dat is de wisselende puntentelling van kampioenschappen. Het is nu eenmaal niet duidelijk aan te wijzen wie de beste duiven heeft in dit land. Iemand die in de afdeling 1e kampioen wordt kan bij WHZB of de nationale kampioenschappen onder een ander staan die in dezelfde afdeling niet eens bij de eerste tien kampioenen staat. Tja, probeer dat maar eens uit te leggen.

Dit jaar hebben we diverse titels binnengehaald op alle niveaus, maar of die allemaal zo eerlijk zijn, dat betwijfel ik. Bij het ene spelverband worden de punten zo behaald, bij het andere spelverband weer anders.

Als ik de top 5 van WHZB op alle spelverbanden bekijk, komt het erop neer dat er alleen in afdeling 5 en 8 superduiven zitten en de liefhebbers in andere afdelingen maar wat aanmodderen. Ik ben echter oud en wijs genoeg om te weten dat er in elke afdeling topduiven en kampioenen zijn.

Men zou de punten van de nationale en WHZB kampioenschappen alleen maar uit de afdelingen moeten halen en alle vluchten laten tellen met een aftrekvlucht per discipline. Tot het zo ver is zijn de kampioenschappen behaald in eigen vereniging nog de meest betrouwbare.