Normaal zouden we binnen drie weken aan de start kunnen staan, maar ik verwacht dat we eerst op de Belgen moeten wachten. Van de NPO hoor je nog steeds niets, dus er zal nog wel geen contact met het ministerie zijn geweest.

Duiven in vorm

De duiven zijn er klaar voor. Nog even op controle voor de zekerheid, maar de mest is super, met hier en daar een donsje erop. Ze trainen steeds beter, dus de conditie is er wel.

De jongen mogen elke dag enkele uren naar buiten. Hier wordt alles samen gespeend, en ik sta er telkens weer van te kijken hoe snel ze buiten komen. Jongen die net gespeend zijn, lopen vaak de dag erna al langs de deur — die altijd openstaat — naar buiten. Bij het minste gevaar schieten ze weer naar binnen.

Er komt een forse ploeg buiten die bij het minste geringste de lucht inslaat. Ze nemen dan ook de jongste mee, die van schrik niet weten waar ze kunnen landen. Ik vind dat een mooi gezicht; ze zitten vaak sneller in de lucht dan je denkt.

Ritme, gemak en discipline

Dat bij spenen is puur uit gemak, zodat alles in één keer los kan in plaats van in meerdere groepen. Hier traint alles in de ochtend, dus om 12 uur gaan de kleppen dicht en heb ik tijd voor mezelf.

Mocht ik een dag weggaan, dan blijft alles die dag binnen — ook dat is geen probleem. Ik ben de baas op het hok, niet de duiven.

De jongen krijgen eind van de middag volle bak. Na een uur maak ik de bak leeg; de korrels op de vloer kunnen ze de volgende dag nog opeten. Wanneer ik de jongen om 12 uur binnenhaal, moet alles binnen no‑time binnen zitten, dus in de ochtend krijgen ze geen eten.

Bij de oude duiven gaan de duivinnen om 8 uur eruit na de verduistering, de doffers een uur later — die kunnen wat minder goed tegen de kou dan de dames. Ook hier geldt: klep open, en binnen een mum van tijd moet alles binnen zitten. Discipline, anders ga je jezelf ergeren. Alles wat niet in de pas wil lopen, wordt vroeg of laat toch verwijderd.

Roofvogel blijft actief

De roofvogel jaagt nog elke dag, maar vooralsnog lijkt het erop dat hij de duiven bij de overbuurman lekkerder vindt. Of de keuze hier is te groot voor hem. De overbuurman heeft een kleiner ploegje buiten, maar is vaker de klos.

Waarom rijden als we nog niet mogen vliegen

Zo vroeg iemand of ik al met de duiven gereden had met dit mooie weer. Dat is totaal nog niet bij me opgekomen. We mogen nog niet eens vliegen, dus waarom zou ik ze nu al wegbrengen?

De duiven laat ik nu 45 minuten trainen. Een uur is nergens voor nodig. Ze hoeven niet vanaf de eerste vlucht top te zijn — dat komt vanzelf wanneer ze elke week de mand zien. Nu is het vooral een kwestie van de winterstijfheid kwijt raken, vandaar dat ze elke dag 45 minuten mogen trainen.

Als het licht op groen staat, breng ik ze uiteraard één of twee keer naar 30 km. Wel komen ze nu elke zaterdagavond bijeen tot zondagmorgen.

Jongen opleren: niet te vroeg

Zoals eerder vermeld leer ik de jongen niet voor half mei op — dat is verspilde moeite. We beginnen in Nederland nu eenmaal later dan in België.

In België hebben de meeste liefhebbers hun eerste ronde apart van de andere rondes. Hier wordt gewoon tot half april bijgespeend.

Verschillende systemen, zelfde doel

Bij mijn overbuurman worden de oude vliegduiven ergens in januari gekoppeld. Die blijven vervolgens tot half april onafgebroken bijeen. Uiteraard worden ze verduisterd. Hij doet dat al jaren zo en speelt elk jaar diverse malen top‑10 NPO met amper vijftien koppels duiven.

Er zijn dus verschillende wegen die naar Rome leiden — uiteindelijk draait het om de goede duiven, en die zitten erg dun verdeeld.

Vuile neuzen

In korte tijd heb ik enkele mails gekregen van liefhebbers met jongen met vuile of natte neuzen. Dat lijkt me Ornithose of Chlamydia, en volgens mij alleen op te lossen met een kuur waar Doxycycline in zit — al ben ik uiteraard geen dierenarts.

Beter is het om op zoek te gaan naar de oorzaak. Je hoort het vaker bij jongen die de kleine pluimpjes wisselen. Mijn gedachtegang: overbevolking, tocht, een vochtig hok, of het zit simpelweg in de stam.

Voor mij is zoiets onbekend. Ik heb nog nooit een jong op het hok gehad met een vuile neus. Mocht er ooit één tussen zitten, dan is hij gezien en wordt hij verwijderd. Ik selecteer mijn hele leven al keihard op gezondheid; individuele duiven met medicatie in leven houden is aan mij niet besteed.

Hard selecteren vanaf dag één

Ik hou niet van zwakte, en dat begint al wanneer ze uitkomen. Ik ring de jongen van een koppel graag dezelfde dag. Moet ik een jong een dag later ringen, dan ruim ik dat jong — zo simpel ligt dat hier.

Bij het spenen krijgen ze hun Paramyxo‑Rota‑enting. Zodra alles gespeend is, doet de dierenarts de Colombovac‑enting én de pokkenenting met het kwastje op het borstvlees. Daar moeten ze zich maar mee redden.

Een week of drie voor de eerste prijsvlucht krijgt alles nog een Paratyfus‑enting met een dood vaccin. Hier dus geen Herpes‑ of Adeno‑enting, simpelweg omdat ik daar niet in geloof.

Alle duiven, jong en oud, krijgen wel elke dag het hele jaar door Origanum Red over het voer om de weerstand te versterken — beter dan telkens preventieve kuurtjes geven tegen alles en nog wat.

Voeding: eenvoud werkt

Over voeding denk ik al dertig jaar hetzelfde. Hier gebeurt alles met één mengeling. Vandaag dit, morgen dat — ik kan niet geloven dat dat goed is voor de spijsvertering. Vandaar dat onze mengeling uit veel granen en zaden bestaat en erg vetrijk is, oftewel licht verteerbaar.

Gerst is voor mij kippen‑ of varkensvoer; er zit geen enkele toegevoegde voedingswaarde in. Dat het mengelingen “lichter” zou maken, zit tussen de oren van liefhebbers. Geef het maar volle bak en je zult zien dat de duiven aanvetten en zeker geen mooi roze borstvlees hebben. Nee, dan kies ik liever voor ongepelde rijst in een mengeling.

Wil je de duiven meer laten trainen, geef ze dan 50% Championsmix en 50% NPO‑mix, en pas het aantal grammen per dag aan naar een dikke 20 gram. Dan hangen ze vanzelf hoog in de lucht.

Zoals vóór corona zitten we opnieuw in de ban van de vogelgriep. Ik ben benieuwd wanneer er meer nieuws komt over wanneer we kunnen gaan vliegen.

De jongen zijn inmiddels weg bij de oude, en de oude trainen op dit moment al aardig. Zodra het licht op groen gaat, breng ik ze enkele keren weg en dan kan het weer beginnen.

De jongen waarmee gespeeld gaat worden zitten er bijna af. Dit jaar heb ik er zo’n vijftig minder gekweekt om mee te spelen, maar de ploeg is nog groot genoeg.

Zoals eerder gemeld is het hok van de vierde ronde afgelopen najaar afgebroken — zelfbescherming, haha.

Selectie en aanvallen

De eerste jongen zijn inmiddels gepakt en enkele verwijderd. We hebben in het buitengebied nu eenmaal wat meer jongen nodig; we moeten inspelen op de aanvallen.

Vorig jaar had ik na enkele vluchten nog een dikke zeventig jongen over om mee te spelen, en dat beviel me best. Of het er dit jaar wat minder of meer zijn, zal het voorjaar uitwijzen.

Kwalitatief zien ze er perfect uit; ze zijn geweldig goed opgekomen. Van de vliegers heb ik de beste doffers op de beste duivinnen gekoppeld en die twee keer laten leggen, zodat ik er vier jongen van heb. Hun ouders wonnen beide top‑10 in de afdeling — ik ben benieuwd.

De kwekers hadden elke 4,5 week nieuwe eitjes en er was haast niets kapot gevochten of onbevrucht.

De jongen krijgen drie keer per week Sedochol nu ze in de rui van de kleine veertjes zitten; de rest van de dagen Naturaline met extra look in het water.

Ook de oude krijgen nu tien dagen Naturaline om de boel in orde te zetten na de kweek.

Thuis afslaan

Verder ben ik druk bezig met het uitzoeken hoe ik thuis kan afslaan met de Benzing M3. De abonnementskosten zijn €93 voor twee jaar. Nu nog even uitpluizen wat er in de vereniging geregeld moet worden — we moeten immers met de tijd mee.

Ik kan dan van huis uit afslaan en hoef niet per se naar het lokaal als het me niet uitkomt. In mijn omgeving woont verder niemand die alle vluchten vliegt en eventueel mijn klok kan meenemen, dus thuis afslaan zou ideaal zijn.

Voeding en opleren

De jonge duiven krijgen nu de basismengeling: vier zakken Championsmix gemengd met één zak vernieuwde NPO‑mix. Daar neem ik vier delen van, en daar doe ik nog één deel oude NPO‑mix bij — ik had er nog een stuk of twaalf zakken van liggen.

De mengeling is dus iets lichter op dit moment, en dat is aan de jongen te merken. Waar ze anders rondslenteren, vliegen ze nu stevig rond ondanks de lichtere mengeling. Nodig is dat nog lang niet; het duurt nog een eeuwigheid voordat we met de jongen op pad gaan. Vroeger was dat vanaf half tot eind april, nu een dikke maand later.

Ik ben er inmiddels wel achter dat slimheid aangeboren is en dat we dat niet kunnen aanleren door ze veelvuldig weg te brengen. We bereiken er alleen maar conditieopbouw mee — en dat wil ik niet te vroeg hebben. Het gaat mij immers om de NPO‑vluchten. Dingen die onnodige energie en tijd kosten of geen toegevoegde waarde hebben, doe ik niet meer.

Op GPS staat de laatste geschonken bon van het jaar, en die loopt deze week af. Doe er uw ding mee, zou ik zeggen.

Selectie begint bij de basis

We kunnen doen wat we willen, maar als de kwaliteit op het hok ontbreekt, wordt het niets. Vandaar dat ik mijn hele leven al hard selecteer — en dat begint bij de jonge duiven. Ook nu zijn er al enkele verwijderd die niet in de pas lopen.

Ook de oude duiven moeten in de pas lopen. Ik heb een hekel aan vechtersbazen die alles kapot vechten, en aan duiven die niet binnen willen komen. Die verwijder ik zonder naar hun prestaties te kijken.

Op het hok moet alles gesmeerd lopen. Jonge duiven die in elkaar zitten, schreeuwers of bange duiven blijven hier niet. Ook duiven die regelmatig op andere plekken binnen springen zijn aan mij niet besteed.

Kwaliteit boven kwantiteit

Onze duiven komen niets tekort. Ik houd liever wat minder duiven zodat ik ze goed kan verzorgen en ze de allerbeste voeding en bijproducten kan geven, dan dat ik alles half doe met goedkope troep.

Ik verwacht veel van onze duiven, dus is het aan mij om ze te begeleiden zodat ze niets tekortkomen — en dat gebeurt hier 365 dagen per jaar. Ook bij thuiskomst worden de duiven uitstekend verzorgd en opgevangen. Vandaar dat ik niet te veel oude duiven wil; zelfs op de allerbeste hokken draait het om een handjevol superieure duiven.

Ik ga er graag op uit als de duiven thuis zijn, maar nooit voordat alles goed verzorgd is.

Samenkweek en nieuwe kansen

Elk jaar zoek ik naar enkele nieuwe duiven die me goed aanstaan. Het liefst doe ik aan samenkweek met topduiven; daar ben ik al vaak goed mee geweest. Maar het moet klikken — zowel met de duif als met de liefhebber. Als het vertrouwen niet wederzijds is, kun je het beter niet doen.

Mijn Chinese vriend koopt elk jaar wel enkele duiven ergens aan die ik een jaar mag gebruiken als ik dat wil. Het ene jaar zijn die aankopen beter dan het andere. Afgelopen jaar was ik erg goed met twee duiven uit Ponto van Verkerk — een halfbroer en halfzus. Ik heb daar nog zomerjongen van gekweekt om het kweekhok aan te vullen voordat ze naar China gingen.

Ik had die twee ook nog even tegen elkaar gekoppeld, halfbroer maal halfzus, net voor vertrek. Ik kweekte er twee laatjes uit — zelden zulke mooie duivinnen gezien. Uiteraard wordt daar volgend jaar volop van gekweekt; bij sommige duiven zie je gewoon dat het goed gaat komen.

Laatjes kunnen goud waard zijn

Zo had ik ooit met Willem de Bruijn een jong geruild. Willem mocht hier uitzoeken uit zes jongen van het Gouden Koppel — daar zaten ook twee hele late bij. Die twee laatjes zette hij opzij; geen interesse.

Ik besloot die twee laatjes in maart met twee oude kweekdoffers in een hok te zetten. Uit de ene kweekte ik Pure Gold, tweevoudig 1e Nationaal Asduif Jong. Uit de andere kwam een jong dat bij Jan Timmermans 3e Nationaal Asduif werd.

Beide laatjes waren al toegezegd aan mijn Chinese vriend — die heeft er nu twee superkweekduivinnen aan waar hij al heel wat mee gewonnen heeft. En Willem was ook succesvol met zijn keuze.

Laatjes kunnen dus zeker, maar dan moeten het wel plaatjes zijn. En je moet ze het eerste jaar laten uitgroeien — het jaar erop herken je ze vaak niet meer terug.