Jongen dagelijks buiten

De jongen gaan hier zoveel mogelijk elke dag naar buiten. Regen of geen regen — ik kijk daar niet naar. Ze zitten overdag ook gewoon in de regen in de ren die voor het hok hangt en aan alle kanten open is. Ze kunnen naar binnen als ze dat willen.

Duiven kunnen uitstekend met al die omstandigheden omgaan. Vandaar dat ik de jongen gerust opleer en loslaat als het regent. Hier is nog nooit een duif ziek geworden door het weer. Het enige nadeel met dit weer is het vocht in de hokken; duivenmest trekt op de een of andere manier toch altijd vocht aan.

Is het een dag droog met zon en wind, dan zijn de hokken ook weer snel droog doordat ze volledig openstaan. Ook de oude duiven zitten overdag in de ren die voor het jonge‑duivenhok van de derde ronde hangt. Aangezien dat hok nu nog leeg staat, kan dat perfect.

Stand van de kweek

De jongen van de eerste leg van de vliegduiven zijn gisteren geringd. De tweede leg valt aankomend weekend uit en dan kunnen de duivinnen begin maart eraf. De doffers brengen dan hun kroost groot.

Na de eerste week van maart begint de training voor de oude duiven. De eerste drie weken trainen ze aan huis, daarna gaan ze één of twee keer naar 30 km voor de eerste prijsvlucht. De opleervluchten met de vereniging sla ik meestal over, tenzij het echt mooi weer is.

Thuis afslaan en gemak

Met de techniek die tegenwoordig voorhanden is, kunnen we thuis afslaan. Bij ons in de vereniging gebeurt dat nog niet, maar ik wil daar toch eens naar gaan vragen.

Als de duiven thuis zijn, ga ik er graag op uit met mijn echtgenote. Als het mooi weer is, de fietsen in de auto en richting Zeeland — dan is zo’n thuisafslag ideaal. Degene die wat ouder zijn en graag een praatje maken of wat drinken in het clubgebouw, kunnen dat dan alsnog.

Het leven gaat door, en dat wil niet zeggen dat alles altijd maar in het belang van de duivensport moet zijn. Vandaar dat ik het mezelf zo gemakkelijk mogelijk maak in de verzorging. Ga ik een nachtje weg in het kweekseizoen, dan krijgen ze gewoon extra eten en drinken.

Effect van licht

Duiven kunnen met gemak een keer een nachtje verduisteren overslaan in maart; dat is geen enkel probleem voor de pennenrui.

Zo had ik in april eens een kapotte tijdklok. Achteraf bleken de duiven meer dan zes weken dag en nacht in het licht te hebben gezeten. Ze kwamen super in de april‑/meimaand. Het gekke is dat ik geen rui‑problemen had, al kon ik de nalijn niet meer spelen omdat de rui toen op gang kwam.

Spelen met licht kan wonderen verrichten — daar kwam ik toen wel achter. Zet de duiven maar eens 24 uur in het licht tijdens de laatste belangrijke vluchten; volgens mij kan je er een knaluitslag mee maken.

Kweekseizoen loopt op het einde

Het kweekseizoen loopt voor mij op zijn einde. De kwekers leggen de laatste eitjes waar ik nog mee ga spelen, op enkele topkoppels na die nog een extra ronde brengen. Voor de PIPA‑veiling wordt een klein groepje gekweekt — niet te veel, want ik wil alle kwekers in juni uiteen hebben.

Alles gebeurt dit jaar iets eerder. De vluchten starten ook wat vroeger en zoals ik al eerder vermeldde, mis ik de start van het vliegseizoen zelden, of het nu met de oude of met de jongen is. Alles is een kwestie van voorbereiden. De oude duiven komen pas los zodra de jongen gespeend zijn — ik denk begin maart.

Daarna duurt het nog zes weken om conditie op te bouwen, en dat is lang genoeg. Topconditie hoeft niet meteen; die moet ergens in juni pieken, dus tijd zat.

Opleren en verzorging

Jongen vroeg of laat opleren maakt in mijn ogen niets uit. Ik heb dat allemaal allang uitgetest. Een week of vier intensief rijden voor de start van de vluchten is genoeg om ze klaar te stomen. Dat winterjongen “te dom” zouden zijn, geloof ik geen snars van. Intelligentie is aangeboren: ze kunnen het, of ze kunnen het niet.

Hoe vaker je ermee op stap gaat, hoe meer je er kunt verspelen. Dat is vaak het enige wat je bereikt met veel en vroeg rijden. Duiven moeten vooral goed verzorgd worden; dan zijn ze niet te zwaar en mankeren ze haast niets. Het duivenspel is geen wedstrijd wie er de meeste over kan houden, maar wie de meeste bruikbare kan kweken.

Hier gebeurt alles volgens een vast systeem. Vandaar dat de start van het seizoen zelden gemist wordt. Natuurlijk heb ik ook wel eens een mindere vlucht, maar veel verval zit er nooit in — en dat komt doordat de duiven niet overladen worden met allerlei kuurtjes.

Verbeterde mengelingen

Als het goed is, zouden de nieuwe zakken bijna klaar moeten zijn. Zodra we ze hier hebben, worden ze afgevuld met de verbeterde samenstelling.

Zoals gezegd is in de Championsmix weinig veranderd, maar de NPO‑mix is wel sterk verbeterd. Die kan nu bij thuiskomst ook als vetrijke zuiveringsmengeling gebruikt worden, zonder dat hij zijn kracht verliest om de duiven op te voeren richting de vluchten. Ook zit er voortaan 20 kg in. Dus geen toegevoegde gerst zoals in zoveel zuiveringsmengelingen, maar vetrijke zaden om het herstel supersnel te laten verlopen.

Distributie straks via Van Tilburg

Al die cowboyverhalen die door criticasters de wereld in geslingerd worden dat we stoppen met de mengelingen, zijn nergens op gebaseerd — pure afgunst. We gaan het onszelf en alle betrokkenen alleen gemakkelijker maken door de distributie volledig bij Ronny van Tilburg neer te leggen.

Dat betekent dat er normaal gezien rond maart niets meer in Hoeven afgehaald kan worden. Ronny zal vast en zeker hier in de buurt een andere afhaalplek creëren waar onze mengelingen gehaald kunnen worden.

Voor de winkeliers en particuliere afnemers in binnen- en buitenland verandert er weinig. Zij kunnen gewoon blijven bestellen, maar dan bij Ronny zodra de nieuwe zakken er zijn. Ronny deed voorheen namelijk ook al alle bezorgingen bij winkels en particulieren.

De emmers en bijproducten zijn eveneens bij Ronny te bestellen, voor zowel particulieren als winkeliers. Prestavit, Octavit, de capsules en Origanum Red kunnen daarnaast altijd nog via onze site besteld en toegezonden worden.

Zo vraagt men mij wel eens wat nu eigenlijk een goede duif is. Persoonlijk vind ik Asduiven in de eigen afdeling goede duiven, evenals Gouden Cracks: duiven die meerdere eerste prijzen kunnen winnen in het spel ná het verenigingsspel. Al kan je de duiven die in de eigen vereniging meermaals de eerste winnen ook vaak op één hand tellen.

De echte supers

Duiven zoals Olympic Dragon met 7x top 10 NPO, Witbuiks Queen met 7x top 10 NPO, Torres Diamond met 5x top 10 NPO en Dragon Girl met 5x top 10 NPO — dát zijn natuurlijk de echte supers.

Ook de sectorwinnaars National Torres, Broken Dragon, Magic Dream en Zora vallen bij mij onder de topduiven, evenals tweevoudig 1e Nationaal Asduif Pure Gold en Olympic Millennium.

Als ik elk jaar enkele van dit type duiven kan kweken, ben ik zeker tevreden.

Geen commercie, maar prestaties

Zoals gezegd: commerciële duiven hoef en wil ik niet als ze niets gepresteerd hebben. Alles wat hier op het vlieghok belandt, moet iets gepresteerd hebben — en op het kweekhok is dat niet anders.

Ik breng elk jaar enkele zomerjongen uit mijn allerbeste, of aangekocht uit het allerbeste, naar de kweek. Maar ik wil daar snel iets bruikbaars uit kweken, en anders vliegen ze er net zo gemakkelijk weer uit.

Hetzelfde geldt voor samenkweek: brengen ze niets, dan gaan ze weer uit het kweekhok. En daar zaten al heel wat bekende commerciële duiven bij.

De enige weg naar succes

Ik heb in de laatste dertig jaar nooit anders gehandeld. De topduiven waren nooit te koop als er goede uit kwamen. Zomerjongen waar ik iets speciaals in zag, kon men op bieden wat ze wilden — zwichten deed en doe ik nooit. Ik weet als geen ander dat je alleen met die speciale duiven het verschil kan maken op de kweek.

Altijd rolt er uit zo’n kampioen weer een nieuwe, is het niet in de eerste dan in de tweede generatie. Vandaar dat ik altijd zomerjongen uit die topduif test om te zien of de doorkweek ook in orde is.

De enige weg naar succes — en die bestaat bij mij alleen uit de top 10 NPO!

Het is elk jaar dezelfde cyclus: jongen kweken en uittesten op de wedvluchten. Elk jaar lukt het me wel om een handjevol topjongen te kweken, soms uit bewuste en soms uit onbewuste koppelingen.

Ik zie er dan ook geen nut in om zes tot acht jongen uit één koppel te trekken. Vaak heb je bij vier jongen kans op een goede, maar dat wil niet zeggen dat je er twee goede uit acht krijgt. Vandaar dat omkoppelen beter is, al kost het een boel werk.

Een schoon en gezond hok

Hier ligt nergens meer iets op de bodem, alleen een dun laagje schelpenzand. Vroeger had ik lavakorrel en beukensnippers — uit gemak, wegens weinig tijd — maar tegenwoordig wil ik dat niet meer.

Eens per dag of om de twee dagen, net hoe het uitkomt, schraap ik de bodem met een schraper aan een lange steel. Daarna gaat er weer een dun vers laagje schelpenzand overheen, zodat de bodem droog blijft en de mest niet vast gaat zitten.

Als je ziet wat er onder die bodembedekking zit aan stof en insecten, schrik je ervan. Stro en beukensnippers kunnen op een vochtig hok al snel gaan stikken of schimmelen. Ook de plafonds zijn hier schoon gemaakt; daar kwam een centimeter dik stof af.

De jongen worden hier afgespeend op een houten verwarmingsplaat die al meer dan dertig jaar oud is en twaalf maanden per jaar aanstaat. Echt warm voelt hij niet aan, maar voor het hokklimaat is het perfect. Het gekke is dat ze vaak na enkele dagen alweer in de bakken zitten en niet meer op de plaat lopen, die ik ook als voedertafel gebruik.

Hard selecteren

De jongen krijgen een B.S.-tablet van Belgica De Weerd en daar moeten ze het mee doen tot ik net voor het vliegseizoen op controle ga. Ik selecteer erg hard op gezondheid. Tellen doe ik ze niet; wat wegvliegt, vliegt maar weg. Ik kan me daar niet druk om maken. Zoals ik al eerder aangaf: het gaat om dat handjevol toppers — de rest is bijzaak.

Bijproducten, vitaminen en talent

Zoals men inmiddels wel weet, ben ik een voorstander van bijproducten — anders had ik ze ook niet ontwikkeld. Ik heb een hekel aan geld over de balk smijten, dus als ik er geen meerwaarde in zou zien, gaf ik het niet.

Zo denk ik ook over vitaminen. Ik neem die zelf dagelijks, en bij de duiven heb ik ze in de bijproducten laten verwerken. In het vliegseizoen gaat er bij thuiskomst, en op woensdag (en bij zware vluchten ook op donderdag), nog een extra bruistablet vitamine C van de supermarkt in het water.

We zagen Van der Poel wereldkampioen in het veld worden. Dat is voor negentig procent aangeboren talent, en daar komt dan nog een goede training en verzorging (voeding en bijproducten) bij kijken. Bij onze wedstrijdduiven is dat niet anders. Dus waarom heel veel duiven houden? Steek de onkosten maar in diegenen die het verdienen.

Ik schenk niet zo heel veel bonnen meer. Op dit moment staat er één op www.duivennet.nl bij de vereniging van de familie Eijerkamp, die overmorgen afloopt, en één op TopPigeons van onze eigen vereniging.

De PIPA‑veiling loopt aankomend weekend af; met die duiven kan men nog met gemak twee rondes kweken om ze dit jaar te spelen.

De jongen zijn er gisteren toch even uit geweest. Ik dacht: ik laat dan ook gelijk enkele oude duivinnen los. Ik had mezelf nog niet omgedraaid of de kromsnavel pakt zo een oude duivin van het hok, die net uit de lucht viel. Gelukkig was ik er op tijd bij, maar het blijft een drama hier in het buitengebied.

Iemand uit de vereniging vertelde me dat hij vijf duivinnen op overschot had, maar nadat hij ze in het najaar enkele keren had losgelaten, waren er meteen vijf minder. Ook hij woont in het buitengebied.

Die beesten teisteren de natuur. Bos‑ en houtduiven en verwilderde duiven zitten er genoeg. Ik was onlangs nog in de stad — het krioelt er van de ongeringde wilde duiven. Vaak zijn zelfs de tenen eraf gevroren. Maar die pakt hij niet; ze hebben liever onze vliegduiven, waardoor liefhebbers moedeloos achterblijven als er weer een kampioen gepakt is.

Wat me altijd verbaast, is dat de meeste van die verwilderde duiven er nog redelijk gezond uitzien. Hun menu bestaat vaak uit sigarettenpeuken, kruimels of een verdwaald frietje.