Wind en een scheef speelveld

Dat Afdeling Zuid‑West veel te breed is, kon men afgelopen weekend goed zien. Nu was het ONO; met puur oost was het verschil nóg groter geweest. Aankomend weekend krijgen we WNW — dan zitten alle duiven hier.

Duivensport is een windspelletje. Dat heeft niets te maken met of er in het westen of oosten betere duiven zitten.

In mijn ogen hadden ze de eilanden bij Zeeland moeten zetten, en het gebied Strijen en Dordrecht bij Brabant. Nu lacht Zuid‑Holland in principe het hardst: het lijkt erop dat ze de westelijk gelegen hokken bij ons gedumpt hebben, zodat ze zelf een nog mooier en compacter spelgebied hebben.

Oneerlijke indelingen en aantallen

Ik schreef het al vaker: de eerlijkheid in de duivensport is ver te zoeken. Dat zie je al aan de indelingen.

Dat hokken met 100 of meer duiven overal de concoursen domineren, is óók een fout in de denkwijze van het NPO‑bestuur. En begin me niet over dat gezeur dat “die de prijzen voor anderen maken” — daar koopt niemand iets voor.

60 oude duiven en 100 jongen had de max moeten zijn om het voor iedereen leuk te houden.

Nu mag men met 150 oude spelen, die ze wekelijks aanvullen met duiven die wel mee zijn maar niet op de uitslag staan. En 250 jongen. Ik hoorde van sommige grote hokken dat er 500 jongen uitvliegen om maar aan die 250 te komen die ze in de uitslag mogen zetten.

In België zag ik liefhebbers met 260 en meer oude duiven mee. Krankzinnig noem ik dat. Het heeft in mijn ogen niets meer met onze sport te maken. We gaan weer terug naar vroeger, toen alleen het spel in de vereniging belangrijk was.

Eigen hok: vooruitgang, maar nog geen top

Op eigen hok zit er wat vooruitgang in, maar top is het zeker nog niet. In de vereniging wel de 1e — tot nu toe op de klokvluchten: 1e‑1e‑2e‑3e‑1e tegen gemiddeld 800 duiven. Maar de gehele vereniging draait in mijn ogen nog niet op de top van hun kunnen.

Eijerkamp‑België: let op deze man

Oliver Sabol, de verzorger van Team Eijerkamp in België, pakt de 1e Provinciaal bij de oude duiven met zijn eerste getekende. Hij doet dat momenteel met de duiven van Roodhooft, die daar zijn blijven zitten.

Benieuwd wat hij volgend jaar gaat doen met de duiven uit Brummen. Ik had het deze winter al gezegd tegen verschillende Belgen: hem niet onderschatten. “Het is ene speciale,” zouden ze in België zeggen.

Melun dit weekend, en het lijkt vooralsnog een oostenwind te worden. Hier zijn er 35 mee; enkele gewonden en doffers die zich nog niet laten zien, bleven thuis. Met deze wind zullen de duiven eerst tegen de kust vallen, gevolgd door de eilanden.

Eerste lossing van de jongen

Gisteren heb ik toch maar van de gelegenheid gebruikgemaakt om de jongen voor het eerst te lossen. Het waren er nog 140 — een heel gedoe met pakken — dus ben ik maar gelijk naar 10 km gereden.

De buurman zei voor de grap dat ik ze met oostenwind niet mocht lossen, had hij ergens gelezen op een site. Maar zelf kijk ik niet naar weer of wind als ik ze oplaat.

Ik laat ze gewoon direct uit de manden: ik pak een mand uit de auto, los die, en dan de volgende. Er zitten hier 12 in een mand en ze wilden er graag uit, terwijl ze nog nooit eerder in de mand gezeten hadden.

Nu wordt het 15–20–25–30 km. Ze mogen best zo nu en dan eens moeten zoeken — als ze vóór mij thuis zijn, ging het te gemakkelijk.

Planning vervroegd

De planning was om eind mei te starten met opleren, maar de jongen vlogen zo goed en zo hoog dat ik het vervroegd heb. Ik weet als geen ander dat Adeno vroeg of laat op de loer ligt, dus dan kun je de start maar gemaakt hebben.

Ze krijgen hun chip zodra ze voor het eerst 30 km gehad hebben. De Paratyfus‑enting volgt over enkele weken.

Gezondheid en entingen

Er zit her en der nogal wat Adeno, en ik hoorde in de omgeving zelfs van sterfte door Rota. Dat is toch iets wat met de beschikbare Rota/RP‑enting voorkomen kan worden. Deze enting kun je zelf zetten direct na het spenen — zo doe ik het hier al jaren.

Erg belangrijk vind ik ook de dagelijkse Origanum Red op het voer, 12 maanden per jaar. Je ziet vooral bij de jongen dat ze veel meer weerstand hebben.

Zodra alles afgespeend is, laat ik ze spuiten met Colombovac en doe dan gelijk de pokkenenting met het borsteltje.

In de duivensport moet je nu eenmaal alert zijn en blijven. Ik heb alles wel voorhanden, maar dat wil niet zeggen dat ik het gebruik — alleen wanneer het nodig is.

De midfond staat voor de deur. Het weer blijft wisselvallig en grillig — ook aankomend weekend weer. Gelukkig is het nog maar het begin van de week, dus het zal vast nog wat veranderen tegen dat het zover is.

Wanneer gaan de jongen los?

Ik kreeg de vraag wanneer ik de jongen op ga leren. Zoals gezegd wacht ik daar nog een volle maand mee.

Vroeger was ik fanatieker, maar ondanks dat ik nog in de jeugdcategorie hoor, word ik volgend jaar toch echt 60. Met het verstrijken van de jaren neemt het fanatisme af. Ik scheid nu meer de zin van de onzin — en dat vroege opleren hoort voor mij bij de onzin.

Wil je de eerste twee vluchten spectaculair voor de dag komen, dan moet je nu inderdaad op pad met de jongen. Maar dat is niet mijn doel.

Waarom ik niet meer vroeg opleren doe

Dertig keer rijden met de jongen om de eerste twee vluchten op te rollen, en dan op de derde vlucht gelijk met de rest staan? Daar pas ik voor.

De belangrijkste en mooiste vluchten voor de jongen beginnen pas vanaf de eerste week van augustus. Alles ervoor is voor mij niet belangrijk meer.

Uit ervaring op eigen hok — al dertig jaar — is gebleken dat de jongen die vanaf augustus super presteren, later de beste duiven worden.

Iedereen beleeft zijn sport op zijn eigen manier. Enkele jaren geleden was ik nog zo fanatiek dat ik de jongen één voor één loste. Maar vorig jaar, na een slechte lossing, was ik de helft kwijt… terwijl liefhebbers die ze maar een paar keer hadden opgeleerd er minder kwijt waren.

Waarom dan die moeite doen? Zoals gezegd: je maakt ze toch niet slimmer. Je bouwt hoogstens meer conditie op.

Hoe echte vorm voelt

Duiven in topconditie zijn zo rond als een bol en zo hard als een steen. Wanneer ze nog te mals zijn van vlees en spieren, zijn ze simpelweg nog niet in orde.

Hier zijn ze aan het veranderen — ze raken meer gespierd. Als je dagelijks trainende jonge of oude duiven vergelijkt met duiven die niet loskomen, voel en begrijp je precies wat ik bedoel.

Een duif in forme ligt super in de hand, is zijdezacht en heeft een smalle staart waarbij de onderste staartveren eromheen gekruld liggen. Ook zie je vaak de bloem en vetplekken op de slagpennen — dan zijn ze goed.

Daarbij moet je het borstvlees voelen. Als ze nog enigszins bezweet aanvoelen, kun je met een goed gevoel inmanden. Vaak lag ik de nacht voor een belangrijke vlucht wakker, omdat ik wist dat het goed zou komen.

Alleen die echte vormpiek duurt vaak niet langer dan een maand. Dan deert het de duiven niets hoe de wind staat: ze zijn er gewoon en knallen als kogels het hok in.

De basis blijft simpel

Dit alles proberen we te bereiken met goede verzorging, voeding, bijproducten en training. En zoals altijd: overdaad schaadt.

Zoals eigenlijk al verwacht mankeerden de duiven niets. Ik had een zestal duiven én mest meegenomen, maar er was niets mis mee — en dan blijf ik eraf.

Het is voor mijn hok nog te koud, aangezien hier altijd alles openstaat. Maar vroeg of laat schieten ze in orde. Afwachten is de beste manier, maar wél wanneer je zeker weet dat ze niets mankeren.

Vanaf deze week ga ik wel met Octavit aan de gang en ze krijgen wat extra energie door na de laatste maaltijd wat extra NPO‑mix na te voeren. Omdat ik nog verduister bij de oude duiven, is die laatste maaltijd rond half zes in de avond.

Jongen in vorm — maar selectie blijft streng

De jongen blinken als pauwen, dus die zijn ook gezond. De mest is mooi in kleine korreltjes, al kan dat natuurlijk plots anders zijn. Eentje had slechte mest — die heb ik in de donkerte met het zaklicht opgespoord en verwijderd.

De jongen krijgen hier eten genoeg, dus die moeten allemaal even rond staan. Eentje die scherper is, haal ik er gewoon uit. Het is al moeilijk genoeg met perfecte duiven, laat staan met duiven die opvallen omdat ze anders gebouwd zijn of magerder zijn.

Voeding en weerstand

Alle duiven krijgen dagelijks Origanum Red op het voer in de ochtend om de weerstand op peil te houden. De duiven worden er zijdezacht van en glanzen volop; ook hebben ze altijd mooie mest.

Bij de jongen heb ik dit jaar als test 35% NPO‑mix en 65% Championsmix.

Ze vliegen hier meer dan anderhalf uur — zelfs de overbuurman zei het al: wat vliegen die jongen. Ze schrikken zelfs van een mus. Ik zie dat wel graag. Of dat door die 10% extra NPO‑mix komt, weet ik niet.

Nog niet waar het moet zijn

Het is nog zeker niet wat ik ervan verwacht — daar ben ik zelf wel van overtuigd. Ze worden beter, maar zijn zeker nog niet 100%. Vaak scheelt er iets waardoor ze net niet de conditie pakken.

Maandag ga ik daarom nog eens een check‑up doen. Kuren heeft geen enkele zin als je niet weet waartegen. Blijkt er niets aan de hand, dan doe ik ook niets en is het afwachten tot het tij keert.

Hier zijn er nog twee weg. Eén kwam terug en had een draad geraakt; vorige week ook al één. Het lijkt wel zoals in het wielrennen: renners uit vorm vallen het vaakst. Alerte renners in topconditie rijden in de kop van het peloton.

Melun in zicht en kromme indelingen

Volgende week vliegen we Melun, 351 km. Ik hoop dat we dan één lossing hebben, zodat de spreiding van de duiven wat breder is.

Bij de indelingen hebben ze in mijn ogen een beetje geslapen: Zeeland heeft er de eilanden bij gekregen én heel R1 van Brabant 2000. Ze hebben daar 21.000 duiven bijeen, en bij ons — de meer westelijke hokken — 11.000.

Daar klopt geen snars van. Wat we nu al zien, is dat onze duiven vaker uit het westen komen. Vroeger zat R1 daar nog bij en zaten de duiven wat breder.

Groepslossingen: geen vooruitgang

In Afdeling Zuid‑West wil men alles het liefst in groepen lossen. Afgelopen week dus weer in twee groepen. In vroegere jaren ging de verste afstand eerst los. Zeeland heeft nu schijnbaar nieuwe regels: de kortste afstanden eerst los.

Nu hoor ik al geluiden dat ze onze jonge duiven tot aan Pont‑Sainte‑Maxence (285 km) groep voor groep willen gaan lossen. Ik nodig iedere duivenliefhebber uit om eens naar een losplaats te gaan en te zien wat een lossing doet met de duiven die níet gelost worden. Als ze dan vijf keer een lossing horen, is het voor de laatste groep funest. Ik kan niet geloven dat zoiets diervriendelijk is.

We maken onze duiven zeker niet slimmer met al die groepslossingen. En dat er vroeg of laat fouten gemaakt worden — bijvoorbeeld doordat er een deur van een andere groep mee open gaat en die tien minuten te vroeg gelost wordt — staat vast.

Mochten ze binnenkort met de nieuwe trailers op pad gaan, die in één keer met een kabel gelost worden zodat alle deuren tegelijk open gaan, dan mogen ze wel héél goed kijken of de juiste kleur labels aan de goede zijde zitten op de vitesse-vluchten.

Onvrede en oneerlijke puntentelling

Het jammere is dat ik gisteren hoorde dat enkele goede spelers uit Vlieggebied Wit hun jas al aan de wilgen hebben gehangen en alles hebben opgeruimd. Over de nieuwe indelingen is nog lang niet iedereen te spreken — en daar ben ik er één van.

Zoals ik vorige week al aangaf: men kan beter van alle gebieden waar men punten uit mag halen voor de nationale kampioenschappen de aantallen duiven optellen en daar een gemiddelde van nemen. Dat gemiddelde kan dan gebruikt worden in de berekeningen, zodat elke liefhebber dezelfde eerlijke kansen heeft.

Het kan toch onmogelijk zijn dat de ene liefhebber een deelgetal heeft van 10.000 duiven en een ander — die in een klein spel speelt — een deelgetal van 1.500 duiven. Onze NPO‑voorzitter moet wel voor een eerlijke duivensport staan. Ik hoop dat hij daar voor open staat en er eens serieus over na gaat denken.