Zaterdag begint de dagfond

De aanloop daar naartoe verliep hier weleens vlotter, maar toch gaan er 12 de korf in. Ik weet als geen ander dat het ineens de goede kant op kan kantelen wanneer ze gezond zijn. Op de vitesse gaan er 24 mee.

Ze worden goed opgevoerd met de vette NPO‑mix en krijgen elke ochtend Octavit op het voer, samen met Origanum Red. De mineralenmix krijgen ze nu dagelijks vers in een potje. Zoals gezegd zitten daar geen zaden in — ze eten het omdat ze het nodig hebben, niet omdat ze de zaden lekker vinden.

Aanpassingen in de mengeling

We kregen enkele meldingen dat er grove gele maïs in onze mengeling terecht was gekomen. Dat hebben we direct gemeld bij de producent, en sinds kort komt dat — zo is ons verzekerd — niet meer voor.

Zelf heb ik ook doorgegeven dat er iets minder sojabonen in mogen. Omdat ik 1 deel NPO‑mix meng met 4 delen Championsmix, vind ik dat er toch nog net wat te veel sojabonen in zitten.

Wijlen Willem van Peer — destijds een topspeler in St. Willebrord — was overigens een enorme fan van sojabonen. Ook wijlen Marijn van Gastel. Vandaar dat ik ze destijds in de mengeling heb verwerkt.

We blijven nu eenmaal transparant naar onze klanten. Ik vind dat ze altijd mogen weten wanneer er iets wordt aangepast en waarom. De firma Jovati van Ronny van Tilburg staat vervolgens in voor de mengeling, de kwaliteit én de verzending.

Ronny verzekerde ons dat de Embregts-Theunis mengelingen en bijproducten altijd in zijn zaak aanwezig zijn. Mocht dat niet zo zijn, dan mag men daar een klacht over indienen bij hem.

Toen wij de mengeling zelf nog in de loods verkochten, zat ik er bovenop. Van elke pallet nam ik een zak voer die ik zelf aan de duiven gaf — was er iets mis, dan zag ik dat meteen.

Nu bestel ik een paar keer per jaar een pallet voor de eigen duiven, en vertrekken er dus regelmatig batches die ik niet zelf heb gezien. Daarom: mocht er iets zijn, meld het altijd bij Ronny en maak een foto van het batchnummer onderop de zak. Ik vertrouw erop dat Ronny altijd voor de allerhoogste kwaliteit gaat, zoals we al jaren van hem gewend zijn.

Geruchten en indianenverhalen

Duivenliefhebbers staan bekend om hun indianenverhalen. De één moppert over de dari, de ander over de safloor, weer een ander over de tarwe — en ga zo maar door. Gelukkig niet alleen over onze mengelingen, maar ook over die van anderen.

Sommigen vinden het leuk om mensen, duiven of bedrijven op social media af te breken met een groepje trouwe volgers.

Zo gaat er in diezelfde geruchtenmolen rond dat Ronny met zijn Jovati 55 onze mengeling gekopieerd zou hebben. Ik zou niet weten waarom hij dat zou doen. Hij mengt en verkoopt onze mengelingen — wat is dan het nut van kopiëren? Het zou alleen zijn eigen geloofwaardigheid aantasten.

Gelukkig krijgen we heel wat positieve feedback van onze klanten, en dat doet een mens altijd goed.

Sommige spelers denken dat wanneer hun duiven niet komen, het aan de voeding ligt. Dat is natuurlijk grote onzin. Ook hier komen de duiven nog niet naar mijn zin, maar dat gaat vast omslaan. De kwaliteit is aanwezig — dat hebben ze vaak genoeg laten zien.

Heb je geen kwaliteit op je hok, dan helpt geen enkele voeding, geen enkel bijproduct en geen enkele medicatie. En dat is vaak een gevoelig onderwerp: velen onderkennen de kwaliteit van hun eigen hok niet.

Jonge duiven

De jongen krijgen vandaag hun Paratyfus‑enting met een dode entstof. Voor hen wordt de training volgende week hervat — ze zijn tot nu toe één keer weg geweest. Ze hebben hun chip om, dus ik zie meteen wat er ontbreekt.

Een lastige vlucht door een verkeerde timing

Donderdag met de middag de duiven in de mand gezet; de buurman zou ze inmanden. Daarna snel een paar dagen ertussenuit met de vrouw.

De lossing moest op zaterdag vroeg gebeuren. De eerste Belgische lossing was in Toury om 7.05 uur. Daarna bleef het een uur stil, en wij gingen eruit om 8.00 uur — en dat hebben we geweten. De duiven zijn ergens een buienfront in gevlogen en kwamen nat thuis van een concours dat veel te lang openstond.

Een veel te breed spelgebied

Dat men inmiddels wel weet dat het spel hier te breed is, hoef ik niet meer te herhalen. Aankomend weekend op de dagfond gaan we dat opnieuw meemaken. Ze gaan in het najaar evalueren, maar is dat voor velen dan niet al te laat?

Wat het lossen betreft kan men van de lossingsverantwoordelijke van Zuid‑Holland nog veel leren. Die kennen haast geen slechte lossingen — wij meerdere per jaar.

Eigen duiven: helemaal niets

Met de eigen duiven was het helemaal niets. Ze kwamen allemaal van de achterkant en uit het oosten weg. Dat ligt vermoedelijk meer aan de eigen duiven dan aan het slechte weer.

Als het gaat, weet je vaak niet waardoor het komt — en als het niet gaat, ook niet. Het seizoen is nog niet om, maar het moet een keer omslaan.

Afgelopen week was ik bij de dierenarts. De duiven mankeerden niets — althans niets wat je onder een microscoop kunt vinden. En dan heb ik het over tricho, coccidiose of wormen. Dat vermoeden had ik zelf al: zoiets zat er niet op. Duiven op zicht beoordelen kan ik zelf ook wel.

Dus de conclusie is simpel: geen conditie, en voor mijn hok en manier van duiven houden moet het gewoon wat warmer worden.

Een vreemd seizoen

Het is een raar seizoen in Vlieggebied Geel. Hokken die de ene week top spelen, draaien de week erop helemaal niets.

Ik zag het ook in andere afdelingen: de ene week winnen ze de eerste vier in de afdeling (superhok Leideman), de week erop amper 37 prijzen van 150 gezette duiven.

Een kleinere goede liefhebber uit Ouddorp maakte een knaluitslag — genoeg om 1e te worden in de NADOEN-competitie. Deze week, in hetzelfde vlieggebied, begon men bijna aan de 486e prijs. En van de 12 duiven die de week ervoor nog die knaluitslag maakten, nu 6 prijzen.

Duivensport is dit jaar moeilijk te verklaren.

Vooruitblik op de dagfond

We gaan het zien op de dagfond. Hier gaan er niet veel mee — laat ze eerst maar eens in orde komen.

Het lijkt ook ONO te worden met warm weer, dus het zal een zware dobber worden. Aan de kust zitten er dan al 100 duiven voor er hier ergens één valt, vermoed ik.

Nieuwe naam in België

De nieuwe hokverzorger van Hooymans in België — de Nederlander Gero Dijk — geeft ook gelijk zijn visitekaartje af door de 1e Provinciaal te winnen. Samen met zijn echtgenote lijkt hij daar meteen goed van start te gaan.

Wind en een scheef speelveld

Dat Afdeling Zuid‑West veel te breed is, kon men afgelopen weekend goed zien. Nu was het ONO; met puur oost was het verschil nóg groter geweest. Aankomend weekend krijgen we WNW — dan zitten alle duiven hier.

Duivensport is een windspelletje. Dat heeft niets te maken met of er in het westen of oosten betere duiven zitten.

In mijn ogen hadden ze de eilanden bij Zeeland moeten zetten, en het gebied Strijen en Dordrecht bij Brabant. Nu lacht Zuid‑Holland in principe het hardst: het lijkt erop dat ze de westelijk gelegen hokken bij ons gedumpt hebben, zodat ze zelf een nog mooier en compacter spelgebied hebben.

Oneerlijke indelingen en aantallen

Ik schreef het al vaker: de eerlijkheid in de duivensport is ver te zoeken. Dat zie je al aan de indelingen.

Dat hokken met 100 of meer duiven overal de concoursen domineren, is óók een fout in de denkwijze van het NPO‑bestuur. En begin me niet over dat gezeur dat “die de prijzen voor anderen maken” — daar koopt niemand iets voor.

60 oude duiven en 100 jongen had de max moeten zijn om het voor iedereen leuk te houden.

Nu mag men met 150 oude spelen, die ze wekelijks aanvullen met duiven die wel mee zijn maar niet op de uitslag staan. En 250 jongen. Ik hoorde van sommige grote hokken dat er 500 jongen uitvliegen om maar aan die 250 te komen die ze in de uitslag mogen zetten.

In België zag ik liefhebbers met 260 en meer oude duiven mee. Krankzinnig noem ik dat. Het heeft in mijn ogen niets meer met onze sport te maken. We gaan weer terug naar vroeger, toen alleen het spel in de vereniging belangrijk was.

Eigen hok: vooruitgang, maar nog geen top

Op eigen hok zit er wat vooruitgang in, maar top is het zeker nog niet. In de vereniging wel de 1e — tot nu toe op de klokvluchten: 1e‑1e‑2e‑3e‑1e tegen gemiddeld 800 duiven. Maar de gehele vereniging draait in mijn ogen nog niet op de top van hun kunnen.

Eijerkamp‑België: let op deze man

Oliver Sabol, de verzorger van Team Eijerkamp in België, pakt de 1e Provinciaal bij de oude duiven met zijn eerste getekende. Hij doet dat momenteel met de duiven van Roodhooft, die daar zijn blijven zitten.

Benieuwd wat hij volgend jaar gaat doen met de duiven uit Brummen. Ik had het deze winter al gezegd tegen verschillende Belgen: hem niet onderschatten. “Het is ene speciale,” zouden ze in België zeggen.

Melun dit weekend, en het lijkt vooralsnog een oostenwind te worden. Hier zijn er 35 mee; enkele gewonden en doffers die zich nog niet laten zien, bleven thuis. Met deze wind zullen de duiven eerst tegen de kust vallen, gevolgd door de eilanden.

Eerste lossing van de jongen

Gisteren heb ik toch maar van de gelegenheid gebruikgemaakt om de jongen voor het eerst te lossen. Het waren er nog 140 — een heel gedoe met pakken — dus ben ik maar gelijk naar 10 km gereden.

De buurman zei voor de grap dat ik ze met oostenwind niet mocht lossen, had hij ergens gelezen op een site. Maar zelf kijk ik niet naar weer of wind als ik ze oplaat.

Ik laat ze gewoon direct uit de manden: ik pak een mand uit de auto, los die, en dan de volgende. Er zitten hier 12 in een mand en ze wilden er graag uit, terwijl ze nog nooit eerder in de mand gezeten hadden.

Nu wordt het 15–20–25–30 km. Ze mogen best zo nu en dan eens moeten zoeken — als ze vóór mij thuis zijn, ging het te gemakkelijk.

Planning vervroegd

De planning was om eind mei te starten met opleren, maar de jongen vlogen zo goed en zo hoog dat ik het vervroegd heb. Ik weet als geen ander dat Adeno vroeg of laat op de loer ligt, dus dan kun je de start maar gemaakt hebben.

Ze krijgen hun chip zodra ze voor het eerst 30 km gehad hebben. De Paratyfus‑enting volgt over enkele weken.

Gezondheid en entingen

Er zit her en der nogal wat Adeno, en ik hoorde in de omgeving zelfs van sterfte door Rota. Dat is toch iets wat met de beschikbare Rota/RP‑enting voorkomen kan worden. Deze enting kun je zelf zetten direct na het spenen — zo doe ik het hier al jaren.

Erg belangrijk vind ik ook de dagelijkse Origanum Red op het voer, 12 maanden per jaar. Je ziet vooral bij de jongen dat ze veel meer weerstand hebben.

Zodra alles afgespeend is, laat ik ze spuiten met Colombovac en doe dan gelijk de pokkenenting met het borsteltje.

In de duivensport moet je nu eenmaal alert zijn en blijven. Ik heb alles wel voorhanden, maar dat wil niet zeggen dat ik het gebruik — alleen wanneer het nodig is.

De midfond staat voor de deur. Het weer blijft wisselvallig en grillig — ook aankomend weekend weer. Gelukkig is het nog maar het begin van de week, dus het zal vast nog wat veranderen tegen dat het zover is.

Wanneer gaan de jongen los?

Ik kreeg de vraag wanneer ik de jongen op ga leren. Zoals gezegd wacht ik daar nog een volle maand mee.

Vroeger was ik fanatieker, maar ondanks dat ik nog in de jeugdcategorie hoor, word ik volgend jaar toch echt 60. Met het verstrijken van de jaren neemt het fanatisme af. Ik scheid nu meer de zin van de onzin — en dat vroege opleren hoort voor mij bij de onzin.

Wil je de eerste twee vluchten spectaculair voor de dag komen, dan moet je nu inderdaad op pad met de jongen. Maar dat is niet mijn doel.

Waarom ik niet meer vroeg opleren doe

Dertig keer rijden met de jongen om de eerste twee vluchten op te rollen, en dan op de derde vlucht gelijk met de rest staan? Daar pas ik voor.

De belangrijkste en mooiste vluchten voor de jongen beginnen pas vanaf de eerste week van augustus. Alles ervoor is voor mij niet belangrijk meer.

Uit ervaring op eigen hok — al dertig jaar — is gebleken dat de jongen die vanaf augustus super presteren, later de beste duiven worden.

Iedereen beleeft zijn sport op zijn eigen manier. Enkele jaren geleden was ik nog zo fanatiek dat ik de jongen één voor één loste. Maar vorig jaar, na een slechte lossing, was ik de helft kwijt… terwijl liefhebbers die ze maar een paar keer hadden opgeleerd er minder kwijt waren.

Waarom dan die moeite doen? Zoals gezegd: je maakt ze toch niet slimmer. Je bouwt hoogstens meer conditie op.

Hoe echte vorm voelt

Duiven in topconditie zijn zo rond als een bol en zo hard als een steen. Wanneer ze nog te mals zijn van vlees en spieren, zijn ze simpelweg nog niet in orde.

Hier zijn ze aan het veranderen — ze raken meer gespierd. Als je dagelijks trainende jonge of oude duiven vergelijkt met duiven die niet loskomen, voel en begrijp je precies wat ik bedoel.

Een duif in forme ligt super in de hand, is zijdezacht en heeft een smalle staart waarbij de onderste staartveren eromheen gekruld liggen. Ook zie je vaak de bloem en vetplekken op de slagpennen — dan zijn ze goed.

Daarbij moet je het borstvlees voelen. Als ze nog enigszins bezweet aanvoelen, kun je met een goed gevoel inmanden. Vaak lag ik de nacht voor een belangrijke vlucht wakker, omdat ik wist dat het goed zou komen.

Alleen die echte vormpiek duurt vaak niet langer dan een maand. Dan deert het de duiven niets hoe de wind staat: ze zijn er gewoon en knallen als kogels het hok in.

De basis blijft simpel

Dit alles proberen we te bereiken met goede verzorging, voeding, bijproducten en training. En zoals altijd: overdaad schaadt.