Het is elk jaar dezelfde cyclus: jongen kweken en uittesten op de wedvluchten. Elk jaar lukt het me wel om een handjevol topjongen te kweken, soms uit bewuste en soms uit onbewuste koppelingen.

Ik zie er dan ook geen nut in om zes tot acht jongen uit één koppel te trekken. Vaak heb je bij vier jongen kans op een goede, maar dat wil niet zeggen dat je er twee goede uit acht krijgt. Vandaar dat omkoppelen beter is, al kost het een boel werk.

Een schoon en gezond hok

Hier ligt nergens meer iets op de bodem, alleen een dun laagje schelpenzand. Vroeger had ik lavakorrel en beukensnippers — uit gemak, wegens weinig tijd — maar tegenwoordig wil ik dat niet meer.

Eens per dag of om de twee dagen, net hoe het uitkomt, schraap ik de bodem met een schraper aan een lange steel. Daarna gaat er weer een dun vers laagje schelpenzand overheen, zodat de bodem droog blijft en de mest niet vast gaat zitten.

Als je ziet wat er onder die bodembedekking zit aan stof en insecten, schrik je ervan. Stro en beukensnippers kunnen op een vochtig hok al snel gaan stikken of schimmelen. Ook de plafonds zijn hier schoon gemaakt; daar kwam een centimeter dik stof af.

De jongen worden hier afgespeend op een houten verwarmingsplaat die al meer dan dertig jaar oud is en twaalf maanden per jaar aanstaat. Echt warm voelt hij niet aan, maar voor het hokklimaat is het perfect. Het gekke is dat ze vaak na enkele dagen alweer in de bakken zitten en niet meer op de plaat lopen, die ik ook als voedertafel gebruik.

Hard selecteren

De jongen krijgen een B.S.-tablet van Belgica De Weerd en daar moeten ze het mee doen tot ik net voor het vliegseizoen op controle ga. Ik selecteer erg hard op gezondheid. Tellen doe ik ze niet; wat wegvliegt, vliegt maar weg. Ik kan me daar niet druk om maken. Zoals ik al eerder aangaf: het gaat om dat handjevol toppers — de rest is bijzaak.

Bijproducten, vitaminen en talent

Zoals men inmiddels wel weet, ben ik een voorstander van bijproducten — anders had ik ze ook niet ontwikkeld. Ik heb een hekel aan geld over de balk smijten, dus als ik er geen meerwaarde in zou zien, gaf ik het niet.

Zo denk ik ook over vitaminen. Ik neem die zelf dagelijks, en bij de duiven heb ik ze in de bijproducten laten verwerken. In het vliegseizoen gaat er bij thuiskomst, en op woensdag (en bij zware vluchten ook op donderdag), nog een extra bruistablet vitamine C van de supermarkt in het water.

We zagen Van der Poel wereldkampioen in het veld worden. Dat is voor negentig procent aangeboren talent, en daar komt dan nog een goede training en verzorging (voeding en bijproducten) bij kijken. Bij onze wedstrijdduiven is dat niet anders. Dus waarom heel veel duiven houden? Steek de onkosten maar in diegenen die het verdienen.

Ik schenk niet zo heel veel bonnen meer. Op dit moment staat er één op www.duivennet.nl bij de vereniging van de familie Eijerkamp, die overmorgen afloopt, en één op TopPigeons van onze eigen vereniging.

De PIPA‑veiling loopt aankomend weekend af; met die duiven kan men nog met gemak twee rondes kweken om ze dit jaar te spelen.

De jongen zijn er gisteren toch even uit geweest. Ik dacht: ik laat dan ook gelijk enkele oude duivinnen los. Ik had mezelf nog niet omgedraaid of de kromsnavel pakt zo een oude duivin van het hok, die net uit de lucht viel. Gelukkig was ik er op tijd bij, maar het blijft een drama hier in het buitengebied.

Iemand uit de vereniging vertelde me dat hij vijf duivinnen op overschot had, maar nadat hij ze in het najaar enkele keren had losgelaten, waren er meteen vijf minder. Ook hij woont in het buitengebied.

Die beesten teisteren de natuur. Bos‑ en houtduiven en verwilderde duiven zitten er genoeg. Ik was onlangs nog in de stad — het krioelt er van de ongeringde wilde duiven. Vaak zijn zelfs de tenen eraf gevroren. Maar die pakt hij niet; ze hebben liever onze vliegduiven, waardoor liefhebbers moedeloos achterblijven als er weer een kampioen gepakt is.

Wat me altijd verbaast, is dat de meeste van die verwilderde duiven er nog redelijk gezond uitzien. Hun menu bestaat vaak uit sigarettenpeuken, kruimels of een verdwaald frietje.

Een gezond hokklimaat

Ik hou wel van koud en zonnig weer; aan dat regenachtige heb ik een hekel. De hokken kunnen nu helemaal open en de wind kan erdoor. De fijnstof moet eruit kunnen waaien — slecht voor mens en dier. Zelf kan ik er slecht tegen, vandaar ook de mechanische afzuiging bij de kwekers, die straks ook bij de jongen wordt aangelegd.

Ik heb altijd last van de schilfers van de veren wanneer de jongen hun pluimen gaan wisselen. Daarom altijd een kapje op en alles open. In het vliegseizoen heb ik eigenlijk nooit last. Ik heb veel contact met liefhebbers: één ervan heeft last van duivenstof en draagt een goed masker, een ander is er jammer genoeg mee moeten stoppen om gezondheidsredenen. En dat is vele malen belangrijker dan de duiven. Mocht dat hier het geval zijn, stop ik ook direct — hoe graag ik het ook doe.

Jongen nog even binnen houden

De jongen zitten in de spoetnik te dringen om los te mogen, maar ze moeten nog even wachten op enkele druilerige dagen voordat ze naar buiten gaan. Voorgaande jaren gingen ze de hele dag los, wat misschien na april weer zo zal zijn. Maar in februari en maart zal dat maar een paar uur per dag zijn, op wisselende tijden, om de roofvogels te slim af te zijn.

Natuurlijk zal hij er wel enkele grijpen — en natuurlijk zijn dat de mooiste jongen uit de beste koppels. Maar we doen er verder niets aan, behalve hopen dat ze snel in de lucht hangen en alert zijn. Aan het eind van het seizoen draait het uiteindelijk om een select groepje jongen dat alle gevaren van dat jaar heeft overleefd.

Vaccinaties en verzorging

Ze zijn inmiddels gevaccineerd tegen PMV/Rota en daar moeten ze zich mee redden. Later volgt nog een enting met Colombovac, een pokkenenting met het kwastje en een paratyfus‑enting. Andere medicatie krijgen de jongen niet. Verder om de dag Naturaline; wanneer ze hun veren wisselen komt daar enkele keren per week Sedochol bij. En op het voer natuurlijk dagelijks Origanum Red, Champions Mineralenmix en tweemaal per week Prestavit.

Selecteren doe ik hier het hele jaar op gezondheid. Ik wil een hok vol vitale duiven; de bouw interesseert me niets, zolang ze maar goede en zachte pluimen hebben.

Vooruitblik op 2026

De doelen voor 2026 blijven hetzelfde: zoveel mogelijk top 10 in de vernieuwde afdeling spelen en vluchten winnen. Afgelopen jaar had ik wat tegenslag met mijn eigen fysieke gezondheid, maar uiteindelijk werd het alsnog een goed seizoen — en dat wil ik dit jaar zeker verbeteren.

Vierentwintig vliegkoppels bij de oude zitten klaar om de strijd aan te gaan, al denk ik dat er maar met een veertigtal gespeeld gaat worden. Vorig jaar had ik dertien duivinnen op overschot, dit jaar geen — teveel gedoe. Nu dus 24 koppels, waarvan acht doffers misschien niet eens gespeeld worden.

Jongen kweek ik er zo’n 150, om hopelijk na enkele vluchten alles terug te brengen naar een goede zestig — wat me afgelopen jaar perfect beviel. Wekelijks top 10 in de afdeling winnen kan alleen met echt goede duiven, en die zitten er gelukkig. Daar zijn ze op geselecteerd; wie dat niet kan, daar kweek ik niet eens uit.

Geen hype‑duiven

Zoals gezegd hou ik hier geen papieren tijgers of hype‑duiven die niets gepresteerd hebben maar wel commercieel aantrekkelijk zijn. Ik wil duiven die bewezen hebben meermaals kop te kunnen vliegen in het allergrootste verband. Dat verklaart ook de vele referenties in binnen‑ en buitenland van liefhebbers die erg goed waren met die enkele duif die ze hier haalden.

De eerste ronde jongen doet het tot nu toe goed. De voerbak is elke dag leeg, net als de drinkgoot. Ik kom er zelf eenmaal per dag bij om alles aan te vullen; ik ben niet iemand die hele dagen bij de jongen op een kruk gaat zitten om ze mak te maken. Ik hoef geen tamme duiven — ik wil goede duiven. Over het algemeen zijn de duiven hier toch niet bang.

Bij de vliegers zijn de eitjes inmiddels verlegd, dus de beste koppels komen nu opnieuw. Zo proberen we een selecte groep jongen te kweken uit de allerbeste duiven. Het gaat me niet meer om veel duiven — dat kan ik niet meer aan — maar ik wil in drie rondes wel jongen uit de beste koppels.

Niets gaat vanzelf

Natuurlijk gaat niet alles vanzelf. Ook hier is er wel eens een onbevrucht ei of wordt er een kapot gevochten, vaak van duiven waarbij je dat liever niet hebt.

Vanaf eind februari, begin maart, gaan de duiven naar buiten — zowel de oude als de jongen. Die eerste keer dat ze weer buiten komen, gebeurt altijd met bewolkt of regenachtig weer. Met dit mooie weer van de afgelopen dagen gaan ze als een malle tekeer en vliegen ze vaak te ver van huis.

Ook de roofvogel is met miezerig weer minder actief, heb ik gemerkt. De oude duiven zijn in het begin erg stijf, maar als ze tegen half mei maar losgevlogen zijn, want dan begint het vaak pas echt.

Broken Dragon en haar lijn

Op PIPA staat nog een veiling van zeven duiven, waaronder een volle broer en zus van Broken Dragon — hier een ijzersterke superduif op de dagfond als jaarling. Het zijn de laatsten; de moeder legde tot nu toe twee keer maar één ei, dus dat kan wel eens afgelopen zijn.

Broken Dragon vloog als jonge duif na de vierde vlucht met haar pootje tegen de draad; er zat geen vel meer op en hij was gebroken. Ik heb haar toen gespalkt, zodanig dat de voetring af te lezen was, en met spalk en al gewoon ingemand.

Ze werd met de spalk om haar poot gewoon 3e Gouden Crack FZN op de NPO‑vluchten. Als jaarling werd ze 4e Gouden Crack FZN op de dagfond en won ze ook nog de 1e in de sector van Philbert-du-Peuple.
Hieronder haar prestaties:

  • 1e Nationaal sector 1A Philbert-du-Peuple — 3.897 p. (572 km)
  • 3e Golden Ace FZN 2024
  • 4e Golden Ace FZN 2023
  • 4e Provinciaal Ace Long Distance
  • 14e Provinciaal Ace Middle Distance
  • 20e Nationaal Issoudun sector 1A — 2.409 p.
  • 30e NPO Melun — 4.720 p.
  • 35e NPO Melun — 8.458 p.
  • 78e NPO Issoudun — 2.093 p.

 

Ze is in 2025 naar de kweek gegaan. Afgelopen jaar had ik al een topjong van haar. Nu zit er een supermooie zoon in de veiling, uit Broken Dragon gekoppeld aan die andere dagfondtopper National Torres.

Topkoppels door de jaren heen

In mijn leven heb ik het geluk gehad over enkele topkoppels te beschikken die in meerdere generaties door vererfden. Dat begon in de jaren ’90 met het Teletekst‑koppel. Daarna kwam het Millennium‑koppel en vervolgens het Gouden Koppel.

Nu heb ik er volgens mij weer één, en die noem ik het Ace‑koppel. Ze werden al de ouders van de 1e Gouden Crack FZN en van de 2e Provinciaal Asduif Brabant 2000 — en dat gaat een super worden dit jaar, onthoud mijn woorden.

Ik verwacht enorm veel van het koppel dat bestaat uit 75% inteelt Super Rossi. Ook daarvan zit bij koop 6 een zoon in de veiling, met alle kenmerken van de Heremans‑duiven waarmee in China al zoveel successen zijn geboekt. Doe er uw voordeel mee, zou ik zeggen.

De eerste ronde heb ik er dit weekend afgezet. Sommige jongen sprongen al uit de bakken en werden gepikt door andere duiven — dan weet je dat het tijd is om ze eraf te zetten. Niet allemaal waren ze al volledig begroeid onder de vleugels, maar die redden zich wel.

Er staat voer bij dat wordt aangevuld zodra elk korreltje op is; ze moeten vanaf dag één ook meteen leren om de mais op te eten. Er staat ook een goot water in, die ze zelf moeten leren vinden.

De kwekers krijgen nu rust en hoeven alleen nog maar op hun eitjes te broeden. Jongen voeren, drijven en hokken die dag en nacht openstaan kosten toch behoorlijk wat energie. Ze kunnen nu weer wat vlees aanzetten.

Iemand vroeg of ik tijdens de kweek een geelkuur geef. Die heeft mijn blog duidelijk niet goed gelezen. De kwekers krijgen — net als de vliegers — preventief in de derde week van september een kwart Flagyl opgestoken, en daarmee moeten ze het doen tot het weer september is.

De jongen krijgen bij het spenen wel een B.S.‑tablet van De Weerd; ook zij moeten zich daar verder mee redden tot aan het vliegseizoen. Een dag of tien na het spenen worden ze gevaccineerd met Rota/PMV.