De oude duiven hebben hun eerste training van 30 km gehad. Als het weer het toelaat gaan ze met alle trainingsvluchten mee. Normaal doe ik dit niet, maar de dagfond begint op 24 mei en de eerste drie vluchten zijn meteen het zwaarst. Daarbij gaan ze hier elke week mee en tussen de dagfond zijn ook nog de 450 km vluchten, dus het is bijna elk weekend 6+ uur vliegen.

Wil je met zo’n programma wekelijks aan kop vliegen, dan moeten je duiven super worden verzorgd en goed worden opgevangen na iedere vlucht. Hiervoor zijn de juiste vitaminen, eiwitten (Prestavit) en vetten (NPO-mix) onmisbaar!

Ik wil dat ze goed zijn ingevlogen voor de eerste dagfondvlucht, daarom traint alles hier maar 1x per dag. Als ze goed zijn ingevlogen, gaan ze alleen op maandag, dinsdag en woensdag een uur los. Ik denk dat je het zo wel een heel seizoen kunt rekken. Duiven die tweemaal daags trainen en waarmee men ook nog rijdt, halen het einde van het seizoen niet.

De duiven moeten nu kogelrond staan. Als ze te scherp aan het seizoen beginnen, krijg je dat er niet meer aan als het de eerste weken geregeld kopwind is. Ze moeten nu ook kerngezond zijn om in conditie te kunnen komen. Als je nu al achterop raakt, kom je er niet gemakkelijk meer bij. Vandaar dat de start van het seizoen voor een allround speler zo belangrijk is.

Jonge duiven

De jonge duiven doen het erg goed. Ik speen wekelijks bij, dus er zit inmiddels toch een forse ploeg. Hier worden ze direct na het spenen gevaccineerd met rota/PMV en in een later stadium doet de dierenarts nog de verplichte PMV-enting.

Ze krijgen om de dag Naturaline met look in het water en dagelijks Origanum Red en Champions Mineralenmix over het voer. Tweemaal per week doe ik daar nog een schepje Prestavit bij.

Verder geen preventieve kuurtjes hier. Wie zich niet gezond kan houden, vertrekt gewoon. Zo’n 4 weken voor aanvang van het seizoen ga ik – net als bij de oude duiven – om een uitgebreide controle. Mankeren ze niets, dan doe ik ook niets.

Dit jaar geen bodembedekking, want ik ben toch niet zo overtuigd van de beukensnippers die je overal mee naartoe sleept. Daarbij liep alles vol met kleine beestjes onder die snippers. Misschien dat ik daarom de luis slecht van de duiven kreeg vorig jaar.

Ik schraap nu liever eenmaal daags alle hokken. Ik heb een schraper aan een lange steel vastgemaakt en daarmee is dit een fluitje van een cent. Na het schrapen van de vloer strooi ik er wat nieuw schelpenzand over en klaar is Kees.

Binnen nu en 4 weken is de eerste prijsvlucht. Hier zijn veel oude duiven helaas al uitgeschakeld. De meeste hiervan zijn gepakt of geblesseerd geraakt door de dagelijkse roofvogelaanvallen. Ik zou ze wel kunnen opleren elke dag, maar dan wacht hij ze gewoon op bij het thuiskomen.

Bij de jonge duiven kijk ik er niet meer naar, ik zie wel wat er nog zit wanneer er chipringen om gaan. Je doet er toch niets aan, gewoon spelen met wat er nog over is. Zou ik van enkele duiven afhankelijk zijn, dan zag het er toch al slecht uit.

De jonge duiven trekken hun rondjes al goed, dat is dan weer een voordeel van al die jachtpartijen. Ze zijn erg alert en ook de laatst gespeende jongen hangen snel in de lucht. Tellen doe ik ze nooit. Wat weg is, is pech.

Nu scheelt het natuurlijk wel dat ik vroeger altijd maar met een paar duiven speelde, zo’n 18 oude en 60 jonge duiven. Ook toen vloog ik vaak genoeg top 10 NPO. Daarom boeit het me niet zo heel erg met hoeveel duiven ik de wedvluchten aanvang.

De oude duiven zien er goed uit. Ze trainen goed en zijn er dus klaar voor. Ze worden nog verduisterd tot half mei, daarna worden ze gelijk bijgelicht van 05.30u tot 22.30u.

Bij de doffers gebruik ik het warme licht en bij de duivinnen de daglichtlampen, al denk ik dat het warme licht meer sfeer in het hok brengt dan die daglichtlampen. Beide van de bouwmarkt, trouwens.

Het nieuwe seizoen staat voor de deur en reken maar dat de fanatiekelingen onder ons er klaar voor zijn. Diverse liefhebbers zijn al op pad geweest met hun duiven. Ik nog niet, maar dat duurt niet lang meer.

Mijn duiven moeten altijd eerst laten zien dat ze er klaar voor zijn. Zolang ze thuis nog niet het hok uitstormen en gelijk uit het oog verdwijnen, is het nog te vroeg. Inmiddels moet ik bukken wanneer ik het hok open, dus ze zijn er al wel klaar voor.

Deze week ga ik eerst nog even op controle bij De Weerd. Mankeren ze niets, dan kan het seizoen starten. Inmiddels ben ik voldoende hersteld om de duiven vanaf volgende week weer zelf te doen. Mijn overbuur ben ik erg dankbaar voor zijn hulp de afgelopen tijd.

Vanaf nu is het gasgeven en ik heb er weer zin in, zoals altijd. Om te winnen moet je eerst de wil hebben. Ik heb topspelers gekend die het aan het einde van hun leven verschrikkelijk vonden dat ze niet meer met duiven konden spelen. Raar dat er dan toch zo’n grote groep is die met alle tijd van de wereld alleen maar excuses zoekt om te laat te starten met opleren of op controle te gaan.

Ze voeren het liefst de goedkoopste 4-seizoensmengeling en kramen dit vol trots uit in het inkorflokaal. Over bijproducten moet je al helemaal niet bij ze aankomen, want die zijn nergens goed voor. Ze menen uit ervaring te spreken, ze hebben immers in een ver verleden een keertje top 10 gespeeld.

Na enkele vluchten lopen ze al mijlenver achter op de fanatiekeling, en dus is het tijd om hun gal te gaan spuien. “Hij zal wel dit of dat hebben gedaan”, of: “Als ik dat er allemaal voor over moet hebben, stop ik er liever mee”.

Waar een wil is, is een weg. Ook al heb je een baan of wat dan ook ernaast. Er zijn werkenden genoeg die er bijvoorbeeld voor kiezen om alleen met duivinnen te spelen.

Het is nu half maart en het is tot 19.00u licht buiten. Alle tijd dus om ‘s avonds de oude duiven nog even los te laten, denk ik dan. Daarbij hoef je niet met veel duiven te spelen om te winnen, dit kan ook met een handjevol.

Er zijn reportages genoeg over kleine liefhebbers die de pannen van het dak spelen. Zij hebben wel de wil om te winnen en doen er alles aan. Ze vallen alleen niet op in de pers, omdat er geen tien duiven tegelijk landen, wat degene met 100+ duiven in de korf soms wel lukt. Ook zijn ze commercieel niet in trek. De afstamming van hun duiven zit vaak in hun hoofd of werd ooit opgeschreven op een oud kladblok.

Mijn vaste letter Jef is helaas niet meer onder ons, maar hij was ook zo’n fanatiekeling die wilde winnen. Toen hij nog met duiven speelde, vlogen zijn zes duivinnen vanaf mei om 05.00u in de vroege ochtend. De rest van de liefhebbers sliep toen nog, maar klaagde even later wel dat er niet tegen te spelen was op de snelheid. In zijn laatste dagen hier op aarde vertelde hij me dat hij het zo erg vond dat hij geen duiven meer kon komen wachten.

Jonge duiven

Hier vliegt inmiddels een mooie ploeg jongen uit en de laatste zijn bijna geringd. Het zijn er meer dan ik eigenlijk wilde, maar omdat de roofvogel er dagelijks enkele pakt, heb ik besloten er toch wat meer te kweken. Voordat de vluchten beginnen heb ik ze snel genoeg op tal geselecteerd.

Die roofvogels worden steeds brutaler. Gisteren viel er een sperwer op het hok, terwijl ik er amper 1 meter naast stond. Zowel bij Jan in Friesland als hier in Hoeven is het beste jong van afgelopen jaar al uitgeschakeld.

Ondanks dat houden we de moed erin. Wanneer een deur sluit gaat er vaak een andere open. In het verleden stonden andere duiven, waar ik het totaal niet van verwachtte, na zo’n situatie juist op. Achteraf gezien is dus niet alles kommer en kwel.

Zo sprak ik een hard spelende liefhebber die ook erg veel last heeft van roofvogels, maar toch wilde hij niet anders. Zijn duiven trainden hierdoor als bezetenen hoog in de lucht en als de klep openging, stormden ze meteen naar binnen. Op mijn vraag of hij die lege bakken in het hok niet erg vond, antwoordde hij: “Hoe minder er zitten, des te meer lucht en ruimte heeft de rest”. Dus ja, is je glas halfvol of halfleeg?

Met een stamboom kan je niet vliegen, hoe mooi ook, de duif moet het toch echt zelf doen. Hier hebben alle duiven een topafstamming, ik kweek immers alleen uit de beste ex-vliegers en zomerjongen uit de beste ex-vliegers. Toch wil dat niet zeggen dat ze hetzelfde kunnen als hun voorouders. De kans is weliswaar groter, maar dat is het enige.

Uit de onbevlogen kwekers komen overigens net zulke goede als uit de bevlogen kwekers. Twee bevlogen kwekers of twee onbevlogen kwekers op elkaar; per saldo kweekte ik evenveel goede en een hele reeks mindere.

Zoals gezegd zijn die onbevlogen kwekers wel jongen die ik elk jaar uitzocht uit een groep gekweekte jongen van mijn beste ex-vliegers. Jaarlijks zijn het er maar één of twee waarin ik echt iets speciaals zie.

Her en der zijn er nogal wat problemen met roofvogels. Half opgegeten duiven op het erf, sommige met de kop eraf; het is heel wat leed om aan te zien voor jong en oud.

Vandaag de dag zijn er simpelweg teveel van. In de jaren ’80 waren er zelden roofvogelproblemen, maar nu eten ze op sommige plaatsen een half hok leeg.

Natuurlijk waren er vroeger veel meer duiven en viel het daarom misschien ook minder op, maar rij tegenwoordig maar eens over de snelweg zónder een roofvogel te spotten. Dit gaat niet. Natuurlijke vijanden hebben ze niet, alleen elkaar.

In mijn jeugdjaren verging het van de mussen, lijsters, merels, vinken, noem maar op. Nu is alles zowat uitgeroeid, op houtduiven en kraaien na. Deze schijnen ze minder graag te lusten. Wanneer de mens zich met de natuur gaat bemoeien, ontstaan zulke problemen.

De oudere, meer ervaren liefhebber kan nog met de situatie omgaan, maar de jeugdige liefhebber dreigt het bijltje erbij neer te leggen met al het leed wat die kromsnavels aanrichten.

Als je duiven hebt moet je wel met tegenslagen leren omgaan. Zolang die alleen op het hok afspelen, mag je je gelukkig prijzen. Duivensport is nu eenmaal 85% ellende en 15% plezier, maar die 15% maakt onze hobby zo fascinerend.

Het NPO kan zich beter focussen op de roofvogelproblematiek dan de verliezen bij jonge duiven. Laatstgenoemde heeft vooral te maken met de gebrekkige voorbereiding van liefhebbers zelf, en uiteraard, al die roofvogels. We verliezen immers ook steeds meer goede oude duiven op de vluchten. Hier zijn kromsnavels ongetwijfeld medeveroorzakers van.

Er is ook een marterprobleem. Hier zijn alle hokken voorzien van martergaas, wat niet wil zeggen dat ze er niet in kunnen. Als een muis erin kan, dan ook een marter. We krijgen steeds meer overlast van ratten en muizen, omdat we niet meer met gif mogen werken. Vanzelfsprekend breidt de marterpopulatie zich dan ook uit.

Met het vliegseizoen in aankomst ontvang ik dagelijks behoorlijk wat vragen, zoals:

  1. Hoe vaak trainen mijn duiven en hoe lang?

Hier gebeurt alles eenmaal daags. De doffers mogen in de vroege ochtend een uur naar buiten. Of ze dan vliegen of niet, boeit me niet zo. De duivinnen gaan er in de namiddag een uur uit. Vanaf nu tot aan het vliegseizoen vrijwillig, daarna verplicht met de vlag.

  1. Hoe vaak breng ik mijn oude duiven weg?

In de week van de eerste opleervlucht breng ik ze één of twee keer 30 km weg, that’s it. Het is de bedoeling dat de duiven zich op de vluchten in conditie vliegen, niet daarvoor. De belangrijkste maanden voor mij zijn juni en juli.

  1. Koppel ik mijn duiven terug voor het seizoen?

Nee, dit heb ik nooit gedaan. Hier zie ik geen meerwaarde in.

  1. Verduister ik mijn oude duiven?

Ja, tot halverwege mei. Het bijlichten gebeurt vanaf half juni.

  1. Sluit ik mijn duivinnen op?

Nee, die zitten hier gewoon los in het hok. Ze vliegen elke week en lopen eigenlijk nooit aan. Zoals gezegd staan de hokken de gehele dag open, dus de jongen scharrelen gewoon voorbij de openstaande deuren van de oude duiven. Hier hebben ze geen erg in.

  1. Kuur ik voorbehoedend?

Nee, dit doe ik al jaren niet meer. Over enkele weken ga ik op controle. Vinden ze niets, dan doe ik ook niets (ook niet bij lichte tricho).

  1. Toon ik voor de vlucht?

Nee, hier ben ik jaren geleden mee gestopt. Bij de jonge duiven doe ik dit ook niet meer.

  1. Hoe vaak breng ik mijn jonge duiven weg?

De jonge duiven worden vanaf eind mei of begin juni opgeleerd. Als het weer het toelaat meerdere keren per week in stevige sprongen tot maximaal 30 km. Naar die losplaats van 30 km gaan ze vervolgens nog wel een keer of acht. Ze worden daarbij ook enkele keren één voor één gelost.

Zodra de vluchten beginnen is het gedaan met rijden, tenzij het seizoen op zijn einde loopt, dan wil ik nog wel eens rijden om ze aan de gang te houden.

  1. Hoe voer ik mijn duiven?

Ik heb een grote voerton waarin elke keer 4 zakken Championsmix + 1 zak NPO-mix gaan. Elke dag haal ik hier ongeveer 1 kg voer uit, waarover ik één eetlepel Origanum Red doe + een stenen pikpot Champions Mineralenmix. Tweemaal per week voeg ik hier nog een maatschep Prestavit aan toe. Dit krijgen alle duiven in de ochtend voorgeschoteld, ook de vliegdoffers en duivinnen. Wat eventueel overblijft wordt opgevoerd aan de jongen.

Verder

Wat ik ook niet meer doe is duiven motiveren voor de vlucht of boosten met een medicatiekuur. Dit effect is vaak van korte duur, terwijl ik juist een heel seizoen lang top wil presteren.

Na bijna een halve eeuw duivensport geloof ik eigenlijk alleen nog maar in goede duiven. Deze komen meestal voort uit goede duiven, maar vergis je niet, ook daar komen alsnog een heleboel slechte uit.

De bouw van een duif heeft geen enkele waarde, anders was het wel heel makkelijk; dan hield ik alleen de perfect gebouwde duiven die het vastst gesloten zijn. Ik selecteer liever aan de hand van de uitslag, want die liegt niet. Selecteren op uiterlijk laat ik graag aan de concurrentie over.

Mijn duiven vliegen alle vluchten van 100 tot 700 km. Wie dit niet aankan, valt vanzelf af. Of de snelheid er dan uit gaat, is een fabeltje. Duiven die hier als jaarling super kwamen op de dagfond, deden dit het jaar erop ook weer op de snelheid.

Zoals gezegd verduister ik tot half mei, maar ook op de vitesse sta ik mijn mannetje. Dus ja, verduisterd of niet, dat maakt ook niet veel uit. Zo zijn er liefhebbers in België die erg goed spelen met mijn duiven op Quiévrain (amper 100 km) tegen al die snelle rakkers daar.