De eeuwige vraag: wat geef je?

Als duivenliefhebber krijg je vaak de vraag wat je wel of niet geeft aan medicatie. Schijnbaar is dat voor sommigen belangrijker dan de goede duif zelf. Die vragen komen meestal van dezelfde categorie mensen die na een vlucht meteen vragen hoeveel je er nog mist.

Medicatie gebruik je in een seizoen het best alleen wanneer nodig. Hier ga ik vóór het seizoen op controle met de duiven. Mankeren ze niets, dan doe ik niets.

Eén en twee nachten mand

Bij één nacht mand gaat er bij thuiskomst vaak een bruistablet C in het water, al dan niet met Belgasol of Tollyamin Forte. De dag nadien meestal Naturaline.

Bij twee nachten mand gaat er anderhalve dag B.S. of een ander gecombineerd ontsmettingsmiddel in. Dat is preventief, omdat de duiven dan ook drinken in de mand. Zitten ze naast liefhebbers die het niet zo nauw nemen, dan heb je de poppen snel aan het dansen.

Die liefhebbers die roepen dat er “niets mis is met zeven dagen zuiver water en tóch super presteren op alle afstanden” horen thuis in het sprookjesbos. Ik heb er een hekel aan om mensen op een dwaalspoor te brengen. Krijg ik ergens vragen over, dan beantwoord ik die eerlijk.

Een kijkje achter de schermen

Zo was er een geweldig presterend hok met weinig duiven. Een hok met weinig duiven is vaak gezond — zeker als het goed presteert. De beste man had een duif opgevangen van een liefhebber die hem kwam halen.

De opvanger bood de man een kop koffie aan en verliet de ruimte. De eigenaar van de gevangen duif zag het begeleidingsschema liggen en maakte er een foto van.

Blijkbaar zat er élke dag wel iets in de drinkpot. En de eigenaar van het duifje deelde dat vervolgens met iedereen die het maar wilde zien.

Niet handig natuurlijk van de opvanger om dat soort dingen te laten slingeren. Een duivenliefhebber alleen laten in een hokruimte is de kat op het spek binden.

Met mate, met verstand

Er zijn vele wegen die naar Rome leiden. Helemaal zonder medicatie vliegen met twee nachten mand zou ik niet adviseren, maar alles met mate en nooit langer dan twee dagen. En oppassen met warm weer.

Als de duiven eenmaal iets mankeren in het vliegseizoen, is het vaak gedaan met de pret. Een enkele topliefhebber kan dat nog ombuigen, maar is de conditie weg, dan zie je hem meestal niet meer terug dat seizoen.

Regels, verschillen en frustratie

We mogen niet vliegen, dat staat vast — EU‑regels, zo valt op de NPO‑site te lezen. België en andere landen lijken daar schijnbaar buiten te vallen.

We hebben duiven om mee te vliegen, maar het aantal duiven in Nederland staat in schril contrast met alle andere losvliegende en trekkende vogels. Zo zag ik overigens nog nooit een dode stadsduif liggen. Die worden niet gevaccineerd, maar lijken immuun voor vogelgriep.

Maar zoals gezegd: zolang ze van hogerhand hun nek niet uitsteken voor de duivensport, vliegen we niet in Nederland.

Trainen kan altijd

Verder kunnen we weinig anders doen dan onze duiven laten trainen en zo nu en dan een nachtje samen laten. Mocht het seizoen pas in mei beginnen, dan krijgen we vroeg of laat vervoersproblemen door gebrek aan capaciteit wanneer de jongen beginnen.

De jongen krijgen volgende week hun Colombovac‑prik. Als ze dan toch in de mand zitten, geef ik ze gelijktijdig een pokkenenting op de borst met het borsteltje. Daar ben je dan maar vanaf. Vaak volgt binnen drie weken een Adeno‑aanval — ook dat kun je dan maar gehad hebben.

20 juni staat de eerste klokvlucht gepland. Dan moeten ze klaar en getraind zijn. Hier dus geen excuses: de duiven zijn klaar. Geen gemekker over “te vroeg”, “ik heb ze nog niet los gehad” of “ze hebben Adeno”.

Voer en vernieuwing

De vernieuwde Champions‑ en NPO‑mix zien er perfect uit en we hebben al heel wat positieve reacties gehad. Let wel: die zitten alleen in de vernieuwde zakken, herkenbaar zoals op deze site afgebeeld.

Hokken, luxe en realiteit

Tegenwoordig zie je ware duivenpaleizen uit de grond gestampt worden op YouTube — duidelijk beginners. Duiven geven niets om luxe; ga anders maar een rondje België doen.

Het gaat om de inhoud van het hok, niet om de buitenkant. Zitten er geen goede duiven op, dan presteren ze niets.

Duivensport is geen hogere wiskunde, al beweren sommigen van wel. Als je de goede onder de pannen hebt, ben je kampioen. Zijn die er niet meer, dan word je op hetzelfde hok vanzelf weer krabber.

Vandaar dat hier nooit een goede verkocht wordt — tenzij hij op leeftijd is. Ik houd er geen bejaardenhok op na. Pas wel op met kweken uit die oude rakkers; beter gebruik je hun jongen voor het kweekhok. Op het vlieghok zijn ze zelden nog een toevoeging, uitzonderingen daargelaten.

Wanneer er duidelijkheid komt over wanneer we kunnen gaan vliegen, weet ik niet. Dat we de laatste twintig jaar weinig wijzer zijn geworden wat de vogelgriep betreft, staat wel vast.

In België zijn ze van start. Vroeger werkten we met cirkels: zat je erin, had je pech; zat je erbuiten, kon je starten.

Tegenwoordig vliegt het hele land niet — solidair met elkaar. Maar dat betekent ook dat wanneer de vogelgriep aanhoudt, we het hele seizoen niet hoeven te vliegen.

Entingen en ongelijkheid

Wij enten onze duiven netjes en verplicht. Die kippenboeren of hobby‑kippenhouders doen dat vaak nog niet. Dus blijven wij met de problemen zitten.

Jammer dat er voor onze duiven geen vrijwaring is. Er is volgens mij nog nooit een duif met vogelgriep geweest, en zoals gezegd doen wij ons best met de jaarlijkse verplichte entingen.

We wachten af, maar veel hoop heb ik niet. Als er in hermetisch afgesloten stallen al uitbraken komen, dan zal het wel aan blijven houden, vrees ik.

Gezondheid begint bij selectie

Met onze duiven selecteren we keihard op gezondheid. Slecht opkomen of te laat uit het ei? Weg ermee. Uiteindelijk hou je de sterkere types over.

Daarnaast geef ik de duiven dagelijks Origanum Red als bijproduct. Als ik daar geen meerwaarde in zou zien, had ik het zeker de laatste vijftien jaar — sinds de Paratyfusuitbraak van 2011 — niet dagelijks gegeven. Liever een bijproduct en vitaminen dan medicatie.

Afgelopen week was ik op de jaarlijkse controle bij Belgica De Weerd. De mest van enkele dagen verzameld en een zestal duiven meegenomen. Er was niets te vinden. Ze hebben eind september een kwart Flagyl gehad en een ronde jongen grootgebracht.

Coccidiose en wormen hebben ze de afgelopen 25 jaar al niet meer gevonden, terwijl ik daar nooit tegen kuur. Zoals gezegd komen er weinig duiven bij — een enkeling per jaar — maar die krijgt dan wel preventief een coccidiose‑tablet en een tricho‑tablet.

Strakke stamopbouw

Al mijn duiven raken elkaar ergens in de stamboom binnen zes generaties. Natuurlijk breng ik elk jaar wel een drietal nieuwe duiven in, maar als het niets is, vertrekken die ook snel — evenals hun nakomelingen.

Overigens worden alle oude en jonge duiven hier verduisterd. Aan het trekken van de eerste twee pennen bij de oude duiven, zoals enkele tophokken doen, doe ik niet mee.

Normaal zouden we binnen drie weken aan de start kunnen staan, maar ik verwacht dat we eerst op de Belgen moeten wachten. Van de NPO hoor je nog steeds niets, dus er zal nog wel geen contact met het ministerie zijn geweest.

Duiven in vorm

De duiven zijn er klaar voor. Nog even op controle voor de zekerheid, maar de mest is super, met hier en daar een donsje erop. Ze trainen steeds beter, dus de conditie is er wel.

De jongen mogen elke dag enkele uren naar buiten. Hier wordt alles samen gespeend, en ik sta er telkens weer van te kijken hoe snel ze buiten komen. Jongen die net gespeend zijn, lopen vaak de dag erna al langs de deur — die altijd openstaat — naar buiten. Bij het minste gevaar schieten ze weer naar binnen.

Er komt een forse ploeg buiten die bij het minste geringste de lucht inslaat. Ze nemen dan ook de jongste mee, die van schrik niet weten waar ze kunnen landen. Ik vind dat een mooi gezicht; ze zitten vaak sneller in de lucht dan je denkt.

Ritme, gemak en discipline

Dat bij spenen is puur uit gemak, zodat alles in één keer los kan in plaats van in meerdere groepen. Hier traint alles in de ochtend, dus om 12 uur gaan de kleppen dicht en heb ik tijd voor mezelf.

Mocht ik een dag weggaan, dan blijft alles die dag binnen — ook dat is geen probleem. Ik ben de baas op het hok, niet de duiven.

De jongen krijgen eind van de middag volle bak. Na een uur maak ik de bak leeg; de korrels op de vloer kunnen ze de volgende dag nog opeten. Wanneer ik de jongen om 12 uur binnenhaal, moet alles binnen no‑time binnen zitten, dus in de ochtend krijgen ze geen eten.

Bij de oude duiven gaan de duivinnen om 8 uur eruit na de verduistering, de doffers een uur later — die kunnen wat minder goed tegen de kou dan de dames. Ook hier geldt: klep open, en binnen een mum van tijd moet alles binnen zitten. Discipline, anders ga je jezelf ergeren. Alles wat niet in de pas wil lopen, wordt vroeg of laat toch verwijderd.

Roofvogel blijft actief

De roofvogel jaagt nog elke dag, maar vooralsnog lijkt het erop dat hij de duiven bij de overbuurman lekkerder vindt. Of de keuze hier is te groot voor hem. De overbuurman heeft een kleiner ploegje buiten, maar is vaker de klos.

Waarom rijden als we nog niet mogen vliegen

Zo vroeg iemand of ik al met de duiven gereden had met dit mooie weer. Dat is totaal nog niet bij me opgekomen. We mogen nog niet eens vliegen, dus waarom zou ik ze nu al wegbrengen?

De duiven laat ik nu 45 minuten trainen. Een uur is nergens voor nodig. Ze hoeven niet vanaf de eerste vlucht top te zijn — dat komt vanzelf wanneer ze elke week de mand zien. Nu is het vooral een kwestie van de winterstijfheid kwijt raken, vandaar dat ze elke dag 45 minuten mogen trainen.

Als het licht op groen staat, breng ik ze uiteraard één of twee keer naar 30 km. Wel komen ze nu elke zaterdagavond bijeen tot zondagmorgen.

Jongen opleren: niet te vroeg

Zoals eerder vermeld leer ik de jongen niet voor half mei op — dat is verspilde moeite. We beginnen in Nederland nu eenmaal later dan in België.

In België hebben de meeste liefhebbers hun eerste ronde apart van de andere rondes. Hier wordt gewoon tot half april bijgespeend.

Verschillende systemen, zelfde doel

Bij mijn overbuurman worden de oude vliegduiven ergens in januari gekoppeld. Die blijven vervolgens tot half april onafgebroken bijeen. Uiteraard worden ze verduisterd. Hij doet dat al jaren zo en speelt elk jaar diverse malen top‑10 NPO met amper vijftien koppels duiven.

Er zijn dus verschillende wegen die naar Rome leiden — uiteindelijk draait het om de goede duiven, en die zitten erg dun verdeeld.