Over enkele maanden is het weer zover. Wanneer ik nu naar buiten kijk is het grauw en grijs, maar als straks de eerste zonnestralen doorbreken en de vogeltjes fluiten, begint het bij ons duivenliefhebbers weer te kriebelen.

De meeste van ons zijn natuurmensen die genieten en wachten op het voorjaar vol nieuwe strijdplannen om uit te voeren. En natuurlijk moeten we in het leven altijd vooruit blijven gaan en kijken, want na elke droevige gebeurtenis schijnt uiteindelijk weer de zon.

Voor onze duiven is er nog niet veel zekerheid. Ik weet bijvoorbeeld nog niet in welk samenspel ik ga spelen en of er uiteindelijk wel een erkend samenspel is. Niet-erkende samenspelen zouden eigenlijk niet mogen bestaan en geen toestemming van de NPO moeten krijgen.

Kortom, het is vooralsnog een puinhoop in duivenland. Je zou denken dat medio januari er toch al wel gesproken is over een definitief vliegprogramma en over definitieve sectorgrenzen, maar voor zover ik weet is er voor ons nog niets ter inzage beschikbaar gekomen.

Desalniettemin heb ik er wel weer zin in, ook bij mij begint het te kriebelen zodra de zon weer hoog aan de hemel staat. Ik hoop dat 2022 weer in het teken mag staan van genieten van mooie aankomsten van onze favoriete duiven.

Vervlogen tijden

Met de winter heb ik niet veel meer. Toen mijn lichaam nog op volle sterkte was, genoot ik er wel van. In 1997 heb ik bijna elke dag diverse toertochten gereden, nadien zijn de ijzers ingevet en niet meer gebruikt.

Zo werkten we destijds de 50 km lange Vliettocht af door de West Brabantse polders, die gelijktijdig met de laatste Elfstedentocht werd verreden. In de middag schaatsten we nog mee in de ambiance van de Singeltocht in Breda.

Vervlogen tijden, zoals ook mijn toenmalige schaatspartner en duivenvriend achteraf gebleken zijn laatste tocht aan het rijden was. Het jaar erop moest hij onze aardbol verlaten. Ik ben hem nog steeds dankbaar voor het feit dat hij mij de oude Witbuik van 1997 heeft gegeven. Alle successen in de jaren nadien heb ik grotendeels te danken aan die ene gekregen duif.

De bovenstaande foto is gemaakt door topfotograaf Falco Ebben. Hij heeft ook van de nieuwe lichting jeugdige toppers wat foto’s gemaakt, die zal ik hier in de loop van de tijd plaatsen.

We vervoeren elk jaar eitjes van alle leeftijden naar Friesland. Dat is al snel zo’n drie uur rijden, maar ondanks dat gebeurde het maar zelden dat die eitjes niet uitkwamen. Die worden trouwens vervoerd zonder ze warm te houden.

Verlegde eieren die drie dagen eerder uitkomen, dat is geen probleem. Duiven drie dagen langer laten broeden is daarentegen wel vragen om problemen.

Zelf jongen uit de eitjes pellen, begin daar niet aan. Gooi ze weg als ze niet op eigen kracht uit het ei kunnen komen, dat is een vroeg teken van zwakte.

Normaal moeten de jongen vrij snel na elkaar uitvallen. Althans, wanneer er geen vorst is geweest bij het leggen van het eerste en tweede ei. Anders kan er wel verschil optreden doordat ze gelijk op het eerste ei gaan broeden.

In dat geval kan je na het ringen beter het kleinere jong samenvoegen bij een kleiner jong van een ander koppel. Als je de grootste twee ook bij elkaar legt, groeit alles zonder problemen op en heeft dat geen nadelen voor hun kwaliteiten.

Koppelen

Bij de kweek- en vliegduiven heb je wel eens koppels die elkaar direct mogen. Andere hebben enkele dagen nodig voordat ze met elkaar door één deur kunnen. Het vreemde is dat de koppels die wat meer tijd nodig hebben, vaak eerder leggen dan de koppels die gelijk de broedschotel inkruipen.

Ik ben baas op het hok en bepaal wie met wie gepaard wordt. Soms kan dat enkele dagen duren omdat de duiven het niet altijd met mijn keuze eens zijn. Toch kunnen ook die koppels gewoon goede jongen geven. Dat duiven die vrij mogen koppelen beter presteren en betere jongen geven, geloof ik niet. Ik zie dat eerder als gemakzucht wat zelden tot succes leidt.

Ik heb lang geleden wegens tijdgebrek eens het zogeheten chaossysteem geprobeerd. Drie weken later zat er hier en daar één met eieren, de andere zaten los op de grond en hadden geen enkele aandacht voor het andere geslacht. Zelden heb ik zo’n slecht oude duivenseizoen gekend, dus dat was eens en nooit meer.

Hier brengen de vliegduiven gewoon twee jongen groot. Normaal broeden ze nog tien dagen na, maar dit jaar niet omdat het vliegprogramma later van start gaat.

Duiven moeten goed aan elkaar gepaard zijn en een goede band hebben om in het vliegseizoen succesvol te zijn. Duiven die problemen hebben met het grootbrengen van een koppel jongen, kan je missen als kiespijn.

Olympic Millennium

Olympic Millennium was een klasse apart op het vlieghok en laat ook zien dat haar doorkweek in meerdere generaties subliem is. Ze is zowel moeder, grootmoeder als betovergrootmoeder van mijn beste duiven van 2021. Men kan dit in de reportage op PIPA teruglezen bij de beste duiven van 2021.

Zoals ik vaker schrijf, draait alles om superduiven. Veel moeilijker is het spelletje niet. Ben je daar doorheen, dan degradeer je vaak tot doorsnee speler. Hieronder enkele nazaten van Olympic Millennium die het afgelopen jaar super presteerden:

  • Blue Jewel 21/138, werd 1e provinciaal Asduif (achter achterkleindochter).
  • Olympia, won de 1e prijs Duffel tegen 4.231 duiven (dochter).
  • National Millennium, werd 12e nationaal Asduif (dochter).
  • Olympic Rosa, werd 1e Gouden Crack FZN en won de 9e NPO Melun tegen 4.903 duiven (dochter).
  • Olympic Fairytail, won de 1e prijs Quiévrain tegen 4.678 duiven (dochter).
  • Olympic Rossi, werd 3e nationaal Asduif PIPA Rankings en 8e nationaal Asduif WHZB (kleinzoon).
  • Blue Flame, won de 1e prijs Niergnies tegen 3.642 duiven (kleindochter).
  • Witbuiks Best, won de 1e NPO Grand Prix Reims tegen 6.769 duiven in Afdeling 11 (449 km aan 1082mpm) en werd 4e nationaal Asduif Fondspiegel (achter achterkleindochter).

 

De 2e provinciaal Asduif jong in Oost-Brabant bij Comb. van Wanrooij (Geffen, NL) is ook een kleindochter van Olympic Millennium. Zij was toen gekoppeld aan Bingo.

Diezelfde Bingo gekoppeld aan een dochter van het Golden Pair is nu vader van Pure Gold, de 1e nationaal Asduif WHZB en 1e nationaal Asduif PIPA Rankings. Kortom, het lijkt allemaal niet zo ingewikkeld wanneer je over enkele superieure duiven beschikt.

Ik heb met Olympic Millennium met enkele topduiven samenkweek gedaan. Verder ben ik zuinig op dit soort duiven en kweek ik er zeker geen batterij jongen uit. Jongen uit haar, het Golden Pair en het Millennium koppel zijn voor eigen gebruik. Alleen zo blijf je bij de kampioenen en laat dat nu net mijn enige doelstelling zijn in de duivensport.

De kweekduiven hebben inmiddels een mooi stel jongen liggen. Hier en daar liggen er weer nieuwe eitjes in de bijgeplaatste broedschotels.

De mestschuiven maak ik elke dag zuiver. De mest zou ik met de hand kunnen wegnemen en dat terwijl de duiven nagenoeg buiten kweken. Dit betekent dat de darmflora van de ouders en hun jongen in orde is en dat het werkt om elke ochtend Origanum Red en Champions Mineralenmix over het voer te doen.

In de avond geef ik alleen de basismengeling zonder toevoegingen. Tenslotte doe ik twee ochtenden per week Prestavit over het voer voor de nodige vitaminen en eiwitten. In het kader van ‘houd alles zo simpel mogelijk’ voer ik alle duiven op deze manier.

Bij mij dus geen andere toevoegingen zoals tovo, P40, pinda’s, brood, katten-, honden-, groenvoer en weet ik het wat er nog meer verstrekt wordt in de hoop dat de jongen daarvan harder zullen groeien.

Het zijn en blijven gewoon duiven die hier middels uitgebalanceerd duivenvoer in een zo natuurlijk mogelijke omgeving (24 uur per dag frisse buitenlucht) grootkomen. Wie daarmee moeite heeft, vertrekt direct.

De vliegduiven zijn ook gekoppeld op de eerder beschreven manier. Dit verliep verder probleemloos, alles zit nu los en lijkt elkaar te liefkozen.

Gisteren werden er opnames gemaakt in het vlieghok waarin we met drie man vertoefden. Diverse camera’s en belichting op statieven, maar de duiven maalden er niet om. Ondanks dat er ook camera’s in hun bak stonden, vlogen ze daar gewoon in en uit.

Ik ben altijd rustig in het hok en pak mijn duiven eigenlijk nooit. Bang zijn ze echter ook niet. Als ik iets moet vertimmeren in het hok, doe ik dat gewoon waar de duiven bij zijn.

De meeste mails gaan nu over verlichting, dus bij deze: bij de kweekduiven brandt het licht elf uur per dag en bij de vliegduiven tien uur. Dit totdat het in de natuur even lang licht is, dan gaan de lichten weer uit. Uit eigen ervaring weet ik dat langer lichten een snellere leg geeft van misschien enkele dagen, maar ook sneller ruiende duiven.

Op de vraag of ik de eerste pennen trek, zoals sommige doen? Nee, alleen wanneer een pen gebroken is. Persoonlijk vind ik dat geheel tegen de natuur in en zie ik er geen enkel voordeel van in.

Ik heb al veel onzin voorbij zien komen. Men denkt vaak iets nieuws te hebben uitgevonden waardoor ze beter denken te gaan spelen. Maar ook voor die mensen geldt dat 85% van de duiven op het hok een slechte is en ondanks dezelfde behandeling als de overige 15%, alsnog slecht blijft presteren.

Ik heb niet snel moeite met veranderingen. Althans, niet als je daarmee alles betaalbaar wilt houden wegens een dalend ledental. Waar ik wel moeite mee heb, is dat men sleutelt aan een traditie die al 125 jaar bestaat. Het wegnemen van nationaal Orléans was al een harde klap voor de bekendheid van de Nederlandse duivensport.

Nu heeft men het over de methode SNEL. Zelf ben ik daar SNEL klaar mee. Elke sport op aarde kent een podium met drie plaatsen. Val je daar net naast, dan heb je uiteraard je best gedaan maar was het net niet goed genoeg.

In Nederland wil men iedereen kampioen maken en zo tevreden houden. Dit is niet de juiste weg, vind ik. Waarom mag een kampioen niet kampioen zijn en waarom mag de snelste duif niet de 1e prijs winnen? Ik vind het raar dat ze die achteraf middels de methode SNEL een andere plaats willen geven.

In 2005 bedachten ze het mooie initiatief om nationaal Le Mans te vervliegen. Ik won de 1e in mijn afdeling met een zus van Young Witbuik. Althans, dat dacht ik. De duif stond ook voor de auto. De vreugde was groot bij de controle en het loslaten van de duif en de bos bloemen van Brabant 2000.

Des te zuurder was het de volgende ochtend. Spierings kwam er nog voor, terwijl er toch echt een meldplicht was binnen een bepaalde tijd. Natuurlijk had ik dat aan kunnen vechten, het ging immers om een auto. De sportman in mij accepteerde echter al snel dat zijn duif nu eenmaal sneller was dan die van mij.

Dat die Le Mans – waar ik uiteindelijk over de totale lossing plaats #12 had – een selectieve vlucht was, kon men zien aan alle grote namen van die tijd die in de kop van de uitslag stonden. Zelfs op de verste afstanden. Dat Le Mans nog sneller ter zielen ging dan dat het bedacht werd, kan je wel raden.

Zo heb ik ook moeite met de neutralisatietijd. Een duif die na de neutralisatie zijn hok bereikt (wat steeds meer mogelijk wordt met heldere nachten), verliest het van de duif die uren later arriveert op een afstand van amper een paar kilometer verder, maar net buiten de neutralisatie. Veel oneerlijker kan ik het niet bedenken. Laat de duiven gewoon laat in de middag los en alles is opgelost, dan moeten ze allemaal overnachten.

Dat een kampioen wint is in iedere andere sport normaal. Dat niet iedereen kan winnen zie je ook in elke sport terug. Neem bijvoorbeeld het veldrijden. Als Wout en Mathieu meedoen, moet de rest er genoegen mee nemen om voor de derde podiumplaats te strijden.

Kijken we naar het veldrijden van de dames in België dan is Sanne Cant de wereldtopper die al meer dan 10x Belgisch kampioene is. Ze heeft dat de laatste jaren zeker niet alleen aan haar klasse te danken, maar ook aan haar concurrentie. Althans, het gebrek daaraan.

Op de website van Theo Pander las ik een mooi stukje nostalgie. Dit doet mij terugdenken aan hoe ik in 1978 zelf begon in het toenmalige duivenbolwerk Sint Willebrord.

Destijds had je daar ruim 400 leden over meerdere verenigingen en ik zat bij de Zaterdagvliegers. De Zondagvliegers werden toen de profs genoemd. Deze vergelijking maakt men in België nog steeds tussen de Union en ZAF.

Er werd bij de Zondagvliegers om stevig geld gespeeld. Die liefhebbers lagen op zaterdagavond te woelen in bed omdat ze net hun weekloon op vier à vijf duiven hadden gezet. Met meer duiven speelden ze niet. De meeste korfden per fiets in met de mand op hun bagagedrager.

De liefhebbers waren gewaagd aan elkaar en iedereen kon een vroege duif pakken. Met een topduif speelde men gewoon vijf à zes jaar op hoog niveau. De populairste vluchten kwamen niet verder dan Orléans. Er werd bijna geen dagfond gespeeld, dat was voor de spelers die op de midfond niet meekonden.

Daartussen ben ik dus opgegroeid. Ik leerde al snel de duivenmelker en al zijn geheimen kennen. Nooit werd mij iets toegeschoven. Het liefst zagen ze de duiven van zo’n snotneus in een aparte mand verdwijnen.

Veel jeugdliefhebbers had je toen al niet. Ik was één van de enige met ouders die zelf geen duiven hadden. De rest van de jeugdliefhebbers mocht van hun ouders weliswaar het podium betreden, maar niet hun eigen hok.

Toch wist ik als 11-jarige te winnen. Los vooruit ook nog. Dit door middel van een opgevangen duif die ik mocht houden.

Ik gaf om de dag Aviol en had nooit een dierenarts gezien, totdat mijn vader de woning van wijlen Jan Konings ging bouwen en hij zo vriendelijk was om mijn duiven te onderzoeken. Ik kreeg drie opgevouwen vloeipapiertjes mee met een of andere substantie erin. Dat weekend won ik de 1e prijs van amper 250 km met bijna een kwartier los tegen al die sterspelers.

Die duif durfde ik natuurlijk niet meer te spelen dat jaar. Het jaar erop korfde ik hem in op Merksem, amper 30 km. Ik mocht in de manden bij de andere spelers en die waren het nog niet vergeten. Ze vroegen: “Is dat die duif die de 1e won?” Nadien heb ik die duif nooit meer gezien. Hij was de enige die achterbleef die dag.

Ook had ik in die tijd de mooiste jonge doffer op de drukbezochte tentoonstelling. Die duif kon echter geen enkele prijs gevlogen krijgen. Toen werd het mij duidelijk dat schoonheid niets met kwaliteit te maken heeft.

Bij mijn herstart in Hoeven in 1989 werd me bij de eerste keer inkorven op het hart gedrukt: “Je hebt ze toch wel gepould, hè?” Maar ik miste mijn start niet. Ik won de 1e prijs tegen 6.500 duiven en daar bleef het niet bij. Nadien werd er weinig meer gezegd.

Ik sloot sindsdien geen enkel seizoen met verlies af. Met winst ook niet, want het gewonnen poulegeld werd weer in nieuwe duiven geïnvesteerd. Ik denk dat ik in die jaren wel 20 televisies heb gewonnen, alsmede fietsen, halve varkens en allerlei naturaprijzen die ik vaak weer weggaf aan vrienden.

Ik had mijn lesje van vroeger geleerd en deed er alles aan om bij de beste te horen. Toen nog veel meer dan nu. Nu ik ouder word en de nodige gebreken heb, doe ik nog niet de helft van wat ik in de jaren ‘90 voor mijn duiven deed. Alleen zijn mijn duiven nu stukken beter dan toen.