30 okt De basis voor volgend jaar
Bezoek onder vrienden
Afgelopen week ben ik nog even met Jan bij Oliver op bezoek geweest. Daarna zijn we met z’n allen doorgereden naar Davy Tournelle. Een lange dag, vooral voor Jan, die daarna nog helemaal terug moest naar Friesland. Toch was het leuk om als vrienden onder elkaar weer eens wat bij te praten.
Ook ben ik begonnen met het inpakken van de broedschotels met oude kranten. Ik doe er dagelijks een stuk of dertig en pak alle schalen in die ik heb. Kapotte schotels gaan direct weg. Vuil worden ze hier nooit echt, maar na het seizoen laat ik ze wel een week in een bak met water en chloor weken, zodat alles weer fris is voordat ze opnieuw worden ingepakt.
Vorig jaar legde ik er nog nestmatjes in, maar dat doe ik nu niet meer. Ik strooi gewoon een pikpotje vol schelpenzand in de ingepakte schotel en daar moeten ze het maar mee doen. Dus geen tabakstelen, stro of nestmatjes meer. Dat stro ligt er binnen de kortste keren weer uit en van tabakstelen krijg je vaak kromme borstbenen of gebutste eitjes.
Schelpenzand en Stopmite
Wat ik sinds dit jaar wel doe: op zes stenen pikpotjes schelpenzand meng ik een volle soeplepel Stopmite. Van dit mengsel gaat vervolgens één stenen pikpotje in iedere broedschotel. Het ruikt lekker fris en het zand houdt de kranten op hun plaats. Bovendien zorgt het ervoor dat de eitjes heel blijven bij een eventuele verkeerd vlieger.
Overigens gaat er ook iedere dag een paar handjes van dit mengsel over de bodem van het hok nadat ik die heb schoongemaakt. De mest kleeft dan niet aan de vloer en alles blijft dagelijks fris. Bovendien blijven de pootjes van de duiven mooi schoon.
Hier zitten inmiddels nog ongeveer honderd duiven op een hok waar met gemak het dubbele aantal kan huizen. Maar zoals gezegd heb ik een hekel aan overbevolking, zowel op het kweekhok als op het vlieghok.
Kweek volgens een vast systeem
Ik houd 24 kweekkoppels en geen enkel voedsterkoppel meer. Duiven waar ik niet uit wil kweken, horen wat mij betreft niet op het kweekhok thuis.
Begin december koppel ik de duiven. Ieder kweekkoppel brengt de eigen jongen groot. De 24 vliegkoppels worden vervolgens zo gekoppeld dat de tweede leg van de kwekers daaronder geschoven kan worden.
Daarna koppel ik de kwekers opnieuw voor een derde ronde. Als je drie rondes uit een kweker haalt, moet er naar mijn idee een bruikbare tussen zitten. Zo niet, dan komen er bij tien rondes waarschijnlijk ook geen bruikbare uit. Dat is althans mijn ervaring.
Jongen die bij het spenen niet naar mijn zin zijn, verwijder ik direct. Hun voetring gaat vervolgens naar een jong uit de vierde ronde van de allerbeste kwekers. Die vierde ronde wordt meestal eind april gespeend. Vaak zijn dat niet meer dan een twintigtal jongen van de allerbeste koppels. De rest is bestemd voor bonnen of reeds toegezegde duiven.
Ook dit jaar zaten er uit die vierde ronde enkele zeer goede jongen tussen op de laatste NPO-vluchten. Natuurlijk zijn die nog erg jong wanneer ik ze begin op te leren en valt er veel van af. Toch zaten er van die twintig uiteindelijk vier bruikbare jongen tussen.
Late jongen wil ik niet meer, niet voor mezelf en ook niet voor anderen. Houd je ze voor de kweek aan, dan ben je vaak jaren verder voordat je ontdekt dat ze toch niet geworden zijn wat je ervan verwachtte.
Voor de eventuele winterveilingen wordt er nog een extra rondje gekweekt om de hobby betaalbaar te houden. Ook daaruit wordt streng geselecteerd. Vaak blijven er een twintigtal jongen over waar ik volledig achter sta, en daarbij hanteer ik de regel: op is op.
Eigen soort behouden
Dit jaar bestaat de ploeg hoofdzakelijk uit eigen duiven, aangevuld met enkele aangekochte of samengekweekte duiven die op de kweek getest zijn en minimaal gelijkwaardig bleken aan de eigen soort.
Voor 2027 betekent dat dat er een paar zomerjongen zijn bijgehaald die me enorm aanstonden en dat twee samenkwekers hier gebleven zijn. De rest is verhuisd.
Als je duiven bijhaalt, moet je er meteen weg van zijn. En ook nadat ze enkele weken op het eigen hok zitten, moet dat gevoel er nog altijd zijn. Veel aangekochte duiven vallen dan namelijk terug en dat staat me vaak niet aan.
Ik doe altijd wel een beetje aan inteelt. Zo houd ik het soort van de Witbuik-, Dragon Rocket– en Super Rossi-lijnen al bijna dertig jaar intact. Met inteelt haal je vaak de allerbeste kwaliteiten naar boven, zeker wanneer die duiven daarna weer worden uitgekruist. Inteelt op inteelt doe ik echter niet; dan haal je gegarandeerd ook de slechtste eigenschappen naar boven.
Inteelt heeft overigens alleen zin met superieure duiven. Met gewone prijsvliegers heeft dat weinig nut. Korte inteelt, bijvoorbeeld een halfbroer tegen een halfzus, doe ik alleen wanneer duiven op leeftijd beginnen te raken. Daarna behoud ik het mooiste exemplaar. Vaak kweek ik er twee rondes uit en meestal blijft er uiteindelijk één over. Maar ook dat is zeker niet altijd een succes.