Regen op komst

Tot nu toe hadden we mooi weer, maar zoals het er nu op lijkt, is er toch regen voorspeld op de vluchtdag. En dat die regen komt, is zeker — dat voel ik vaak al dagen van tevoren aan mijn rugkwaal.

Hier gaan er veertig mee voor de eerste officiële prijsvlucht. De duiven lijken me in orde. Ik doe er verder weinig aan dan ze eenmaal daags te laten trainen. Bij thuiskomst gaat er een bruistablet C in het water, verder niets. Bij één nacht mand vind ik een ontsmettingskuur niet nodig.

Geen gedoe met luchtwegen of koppen

Ook voor de luchtwegen doe ik niets — daar is het nog niet warm genoeg voor. En voor de koppen doe ik zeker niets. De ramen staan hier het hele jaar open en de duiven trainen vanaf 8 uur in de ochtend. Ook dan is het niet warm, dus daar kunnen ze best tegen.

Luis: het eerste echte probleem

Wat wél al snel een probleem wordt zodra ze enkele keren in de mand gezeten hebben, is luis. En die luizen zijn tegenwoordig niet gemakkelijk meer te bestrijden.

Vroeger gaf ik de nekdruppels van Schroeder, maar uiteindelijk — twee in de nek en twee op het borstvlees — hielpen die niet echt meer, was mijn ervaring.

Nu geef ik sinds enkele jaren enkele druppels onder de vleugels, twee keer per jaar, met een product waar ze schijnbaar ook koeien mee behandelen. Dat werkt perfect.

Vroeger gaf ik Noury voor hoofdluis bij mensen. Ik stak een slagpen in dat flesje en smeerde het aan beide zijden onder de vleugels. De geur vergeet ik nooit meer. Het product waar ik nu mee druppel ruikt precies hetzelfde.

Simpel systeem, duidelijke selectie

Verder hou ik alles zo simpel mogelijk: elke dag dezelfde mengeling, veel frisse lucht en om de dag Naturaline in het water bij kweek- en jonge duiven. Bij de vliegers niet meer om de dag in het vliegseizoen, maar vaak op de dinsdag — soms ook op de zondag.

Over enkele weken gaan we al snel zien welke het kunnen en welke niet. Over de concurrentie kan ik simpel zijn: dat zijn vaak dezelfde hokken als het jaar ervoor.

De duiven hadden hier Bierges, 90 km. In de vereniging was het klokkentesten voor wie dat wilde.

Hier kwamen de duiven goed, alleen de eerste zes vlogen minuten rond voordat ze vielen. De volgende groep van een stuk of acht herhaalde hetzelfde kunstje.

Het zal er allemaal wel mee te maken hebben dat het te gemakkelijk ging. Ze zijn in ieder geval in orde, en de betere duiven van vorig jaar lieten zich gelijk al gelden — iets wat te verwachten is. Een mindere duif wordt namelijk zelden beter.

Nieuwe indelingen: weinig logica

Volgende week gaan ze voor prijs, al is alles wel erg onoverzichtelijk met de nieuwe indelingen. Ze hebben mij bij de meer oostelijke hokken ingedeeld, maar waarom ze daar ook het westelijk gelegen Langeweg en Zevenbergen bij hebben gezet, gaat mijn pet te boven.

Op de vitesse in de vereniging ben ik met de liefhebbers van de Langeweg, Zevenbergen en Zevenbergse Hoek dus ingedeeld bij het vroegere RCC‑speelgebied, terwijl de rest van de vereniging bij het westelijk gelegen deel zit.

Volgens mij hebben ze in de donkerte, of niet helemaal helder van geest, hier en daar wat scheidingslijnen getekend. Anders zou ik het ook niet weten. Maar goed, we doen het er maar mee; veel anders kunnen we toch niet meer.

Jonge duiven

De jongen vliegen inmiddels goed rond. Ik zou ze al op kunnen leren, maar ik wacht daar nog een maandje mee.

De eerste keer met de vereniging zit erop. We hadden gisteren een eerste opleervlucht met de nieuwe afdeling. Het weer was mooi en de duiven kwamen aardig naar huis.

De laatste kwam deze ochtend — die was vorig jaar op de eerste vlucht verloren gegaan, maar kwam in oktober terug. Normaal krijgen zulke duiven geen kans meer, maar hij komt uit een goed koppel en je kon zien dat hij binnen gezeten had.

Vrijdagavond kan hij weer mee. Gaat hij dan opnieuw overnachten, dan is het natuurlijk einde verhaal.

Vitesse als test, niet als doel

Dus het kan beginnen. Zaterdag is hier een klokvlucht in de vereniging om alles te testen.

De vitesse is hier niet het hoofddoel; de duiven zitten immers nog verduisterd tot half mei. Al is dat al jaren zo, en toch ben ik vaak overal vitesse‑kampioen.

Daarbij moet ik wel de kanttekening maken dat het in april en mei vaak oostenwind is — en dat is hier vele malen beter dan west of zuidwest.

Jongen goed voorbereid

Zoals gezegd zijn de jongen er redelijk klaar voor. Bij het spenen kregen ze hun Rota‑enting, en onlangs hebben ze hun Paramixo‑enting gehad en gelijktijdig hun enting tegen de pokken.

Die pokkenenting gebeurt hier al 37 jaar één keer in hun leven, op de borst met het kwastje — dus niet jaarlijks, zoals bij liefhebbers die in de nek vaccineren. Pokken heb ik nog nooit gehad, dus de methode zal niet verkeerd zijn.

Een viertal weken voor de eerste vlucht vaccineer ik ze nog tegen Paratyfus met een dode entstof.

Ze gaan eenmaal daags naar buiten, zoals eigenlijk alle duiven. Omdat ik ze twee uur buitensluit, blijven ze alert en slaan ze met regelmaat de lucht in. Het andere voordeel is dat ze naar binnen stormen wanneer de kleppen geopend worden.

Voer en reacties

De vernieuwde Championsmix en NPO‑mix slaan ook bij andere liefhebbers geweldig goed aan. We krijgen daar heel wat positieve reacties op.

Onnodige zorgen

Zo krijg ik nu al mails van liefhebbers die bezorgd zijn omdat hun jongen niet trainen. Moet dat nu al, als je in Nederland speelt? In België kan ik dat begrijpen — die starten over een week of zes.

Hier maak ik me daar geen enkele zorg om. Ze moeten verplicht twee uur buiten. Ik sluit ze buiten en wat ze in die twee uur doen — vliegen of niet — boeit me niets. Ik heb me daar nog nooit druk om gemaakt.

Waarom ze niet meer wegtrekken

Ze slaan in die twee uur met regelmaat op, maar wegtrekken zoals vroeger doen ze al jaren niet meer.

Dertig jaar terug gingen de duiven in het nabijgelegen St. Willebrord vaak rond dezelfde tijd los, en dan kwamen er hier duizenden over. Toen zaten daar nog meer dan 400 liefhebbers. Nu moet je goed kijken wil je daar nog een duif rond zien vliegen — met het handjevol liefhebbers dat er nog zit. Bij mij in de straat vliegen er tegenwoordig meer los dan in heel St. Willebrord.

Dus wegtrekken doen ze niet meer. Ik zie ze altijd vliegen wanneer ze los zijn. Als de duiven hoog in de lucht zitten, weet ik dat het tijd is om de opleermand tevoorschijn te halen. Duiven die hoog in de wolken vliegen zijn gezond en in conditie.

Luierikken vallen vanzelf af

Wat ik wel doe: ik jaag alle jongen buiten, hokken dicht, en ik sla er één keer met de vlag onder zodat alles de lucht in gaat. Als ze daarna gelijk terug op het hok vallen, boeit me niets. Over vijf weken start hun opleerschool en dan vallen de luierikken vanzelf af.

Dat opleren gaat in stevige stappen: 5 – 10 – 15 – 20 – 25 – 30 km. Verder rij ik niet. Ze gaan wel elke keer in groepen van vijftien los om de risico’s te spreiden.

Het seizoen komt sneller dan je denkt

Of ik de duiven morgenavond al mee heb? Wat dacht je dan.

Châteauroux, 563 km, staat 23 mei al op het programma — dat is nog maar een week of zeven. Dan moeten ze de nodige kilometers in hun vleugels hebben. Dus dit jaar gaan ze, zo goed als het kan, alle opleervluchten mee.

Een blessure verandert alles

In het leven van een duivenliefhebber is het altijd wel wat. Zo liet ik de duivinnen uit, en helaas: de beste duivin van vorig jaar liep op de grond met een vleugelblessure.

Uit ervaring weet ik dat zulke duiven nooit meer de oude worden nadat ze hersteld zijn. En herstellen doen ze wel — ook de scheefvliegers — maar op hun oude niveau komen ze zelden terug.

Deze gaat nu dus vervroegd naar de kweek. Daar zitten er al meerdere die door een kwetsuur eerder met pensioen gingen. Elk nadeel heeft zijn voordeel, zou Cruijff zeggen: je kunt ze niet meer verspelen en vaak groeien ze op de kweek toch uit tot goede kweekduiven.

Gele aanwassen en Paratyfus

Ik had het eerder al over jonge duiven met van die gele aanwassen in hun bek. Links en rechts hoor ik meerdere liefhebbers met deze problemen. Opruimen is het beste — we moeten werken aan sterke, gezonde jongen, en daar horen deze duiven niet thuis.

Eén ding weet ik wel: hokken met deze problemen zijn vaak hokken waar ook Paratyfus rondsluimert. Zo werd ik onlangs door een topspeler gebeld; ook hij had Paratyfus onder de oude duiven.

Mijn ervaring en advies

Ik heb zelf één keer Paratyfus gehad, in de winter van 2011/2012. Ik ben toen samen met Ad Schaerlaeckens, die er een jaar eerder last van had, naar Stijn Gijsbrechts gereden. Die man had het bij het juiste eind: 10 dagen Baytril en daarna enten met een levende entstof.

Hij adviseerde me om elk jaar een kuur te geven met een afwisselend product en daarna te enten met een dode entstof. De levende entstof was om de Paratyfus te stoppen; de dode entstof was preventief om het onder controle te houden. Ook zei hij dat je eens in de drie jaar opnieuw 10 dagen Baytril moest geven.

Ik heb zijn goede raad opgevolgd en heb er sindsdien nooit meer last van gehad. Dus adviseerde ik de beller hetzelfde: 10 dagen Baytril, daarna enten met een levende entstof zoals Salmoporc. Daarna de hokken goed natspuiten met Virkon S en eventueel droog branden.

Let op: Virkon S is geen middel om licht over te denken. Sommige liefhebbers in België geven het zelfs in het drinkwater — dat zou ik nooit doen, ook niet om duiven in te dompelen bij One‑Eye‑Cold.

Duiven met duidelijke Paratyfussymptomen — sterk vermageren, kreupel lopen, warme gezwellen, bloedwratten, witte pupil — ruim ik altijd. Genezen kan soms, maar dragers blijven het vaak toch.

Selectie, weerstand en vroeger

Ik schrijf het al jaren: hard selecteren op gezondheid en een Paratyfuskuur + enting nooit overslaan. Eén keer per jaar is genoeg. Daarnaast werken aan weerstand: hokken open, elke dag Origanum Red, één soort voer en niet elke dag wat anders. Met af en toe Naturaline in het water doe je weinig verkeerd.

Duiven die zichzelf niet gezond kunnen houden, moet je ruimen. Dat wordt toch nooit iets — ongeacht afkomst of prijs. We moeten verder met de gezonde exemplaren, en zelfs dan zitten er maar weinig echt goede tussen.

Vorig jaar raakten een clubgenoot en ik door een verkeerde lossing heel wat jongen kwijt op de eerste vlucht. Natuurlijk baal je daarvan — ze komen immers uit goede duiven — maar dat zegt nog niets.

Bij de jongen die wél thuiskwamen zaten bij ons beiden verrassend veel bruikbare duiven. Misschien was het dus een harde, maar goede selectie.

In het algemeen zijn de duiven niet beter geworden dan vroeger. We selecteerden toen veel harder met het poulesysteem en er werd alleen uit toppers gekweekt. Nu wordt er vaak gekweekt uit duiven die nog niets bewezen hebben, met misschien als gevolg dat we meer jongen kwijtraken.

Vroeger kregen de jongen een veel zwaarder programma, met grotere lossingen en zelfs nationale lossingen. Duiven die toen top‑10 NPO wonnen, zette ik direct op het kweekhok — en daar had ik jaren plezier van.