Relativeren

Her en der zijn er nogal wat problemen met roofvogels. Half opgegeten duiven op het erf, sommige met de kop eraf; het is heel wat leed om aan te zien voor jong en oud.

Vandaag de dag zijn er simpelweg teveel van. In de jaren ’80 waren er zelden roofvogelproblemen, maar nu eten ze op sommige plaatsen een half hok leeg.

Natuurlijk waren er vroeger veel meer duiven en viel het daarom misschien ook minder op, maar rij tegenwoordig maar eens over de snelweg zónder een roofvogel te spotten. Dit gaat niet. Natuurlijke vijanden hebben ze niet, alleen elkaar.

In mijn jeugdjaren verging het van de mussen, lijsters, merels, vinken, noem maar op. Nu is alles zowat uitgeroeid, op houtduiven en kraaien na. Deze schijnen ze minder graag te lusten. Wanneer de mens zich met de natuur gaat bemoeien, ontstaan zulke problemen.

De oudere, meer ervaren liefhebber kan nog met de situatie omgaan, maar de jeugdige liefhebber dreigt het bijltje erbij neer te leggen met al het leed wat die kromsnavels aanrichten.

Als je duiven hebt moet je wel met tegenslagen leren omgaan. Zolang die alleen op het hok afspelen, mag je je gelukkig prijzen. Duivensport is nu eenmaal 85% ellende en 15% plezier, maar die 15% maakt onze hobby zo fascinerend.

Het NPO kan zich beter focussen op de roofvogelproblematiek dan de verliezen bij jonge duiven. Laatstgenoemde heeft vooral te maken met de gebrekkige voorbereiding van liefhebbers zelf, en uiteraard, al die roofvogels. We verliezen immers ook steeds meer goede oude duiven op de vluchten. Hier zijn kromsnavels ongetwijfeld medeveroorzakers van.

Er is ook een marterprobleem. Hier zijn alle hokken voorzien van martergaas, wat niet wil zeggen dat ze er niet in kunnen. Als een muis erin kan, dan ook een marter. We krijgen steeds meer overlast van ratten en muizen, omdat we niet meer met gif mogen werken. Vanzelfsprekend breidt de marterpopulatie zich dan ook uit.